Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel
Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/1.4:1.4 Afbakening van het onderzoek en de onderzoeksmethode
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/1.4
1.4 Afbakening van het onderzoek en de onderzoeksmethode
Documentgegevens:
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS363002:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Afbakening
In paragraaf 1.2 is naar voren gekomen dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel verschillende onderdelen omvat en dat ik in het onderzoek keuzes zal moeten maken om de omvang van het onderzoek te kunnen beperken. De eerste keuze is, zoals ook blijkt uit de onderzoeksvraag, het beperken van het onderzoek tot het kenbaarmakingsbeginsel. Deze keuze is gemaakt, omdat juist ten aanzien van dit onderdeel van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel een spanningsveld lijkt te bestaan tussen het Unierecht en het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht.
Ten tweede beperkt dit onderzoek zich tot de betekenis van het kenbaarmakingsbeginsel voor het belastingrecht. Hierbij zal worden onderzocht of het soort belastingen (aanslagbelastingen of aangiftebelastingen) van belang is en of relevant is wat voor soort besluit het bestuursorgaan wil nemen, bijvoorbeeld of sprake is van een voorgenomen besluit op aanvraag of van een voorgenomen besluit zonder aanvraag of van een fiscale bestuurlijke boete. De mogelijkheid een belastingplichtige onder omstandigheden strafrechtelijk te vervolgen, laat ik buiten dit onderzoek. Ik beperk mijn onderzoek tot het (fiscale) bestuursrecht (derde beperking). Jurisprudentie van de andere rechtsgebieden zal worden onderzocht en verwerkt voor zover relevant. Ook laat ik de toeslagen buiten dit onderzoek. De toeslagen kennen een (deels) ander formeel regime (Awir) en ten aanzien van de toeslagen spelen nog veel andere discussies (vierde beperking).
Aangezien het kenbaarmakingsbeginsel een recht van een belanghebbende betreft, houdt dit een vijfde beperking in van het onderzoek. Ik onderzoek op welke stukken een belanghebbende recht heeft en niet of het bestuursorgaan recht heeft op stukken van de belanghebbende. Alleen het voorgenomen handelen van een bestuursorgaan is immers onder omstandigheden onderworpen aan de vereisten van het kenbaarmakingsbeginsel. Het betreft (onder omstandigheden) een plicht voor de belastingdienst. Maar het is een recht voor de belanghebbende.
Vorenstaande betekent ook dat andere Unierechtelijke beginselen in principe niet bij het onderzoek worden betrokken (zesde beperking). Echter ten aanzien van het beperken van het kenbaarmakingsbeginsel zijn onder andere het doeltreffendheidsbeginsel en het gelijkwaardigheidsbeginsel van belang. Deze beginselen komen enkel voor zover zij het kenbaarmakingsbeginsel raken aan de orde. Aangezien zowel artikel 47 als 48 van het Handvest, waarin het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel voor bepaalde situaties (deels) is gecodificeerd, expliciet verwijzen naar het EVRM, zal het EVRM kort de revue passeren. Het EVRM komt daarbij alleen ter invulling van het kenbaarmakingsbeginsel in beeld.
Onderzoeksmethode
Dit onderzoek is verricht aan de hand van de literatuur en de jurisprudentie. Daarbij is naast Nederlandse literatuur ook gebruikgemaakt van buitenlandse (Engelstalige en Duitstalige) literatuur. Aangezien het hier een Unierechtelijk beginsel betreft, is de meeste aandacht besteed aan arresten van het Hof van Justitie en hier en daar aan die van het Gerecht. Daarnaast is de Nederlandse rechtspraak van de Hoge Raad en lagere rechtspraak onderzocht om te bezien hoe in Nederland met het recht een standpunt kenbaar te mogen maken, wordt omgegaan. Aangezien de relevante artikelen van de Awb niet alleen van toepassing zijn op fiscale geschillen, maar ook op bestuursgeschillen, is voor de uitlegging van het Nederlandse (fiscale) bestuursrecht naast de arresten van de Hoge Raad ook aandacht besteed aan arresten van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. Ook uitspraken van lagere bestuursrechters zijn bij het onderzoek betrokken indien deze relevant of illustratief zijn.
Ik heb gebruik gemaakt van Alexy’s ‘Law of Balancing’ als een structurerend instrument bij het wegen van beginselen. De ‘Law of Balancing’ laat zien welke vragen dienen te worden beantwoord bij het wegen van concurrerende beginselen. Door het structureren vanuit de ‘Law of Balancing’ kunnen inzichten worden verkregen over de wijze waarop het Hof van Justitie omgaat met het wegen van concurrerende beginselen. Daarnaast kunnen daarmee omstandigheden worden onderkend die van belang kunnen zijn bij het wegen van concurrerende beginselen in het algemeen en die specifiek van belang kunnen zijn bij het wegen van met het kenbaarmakingsbeginsel concurrerende beginselen. Met behulp van deze structurering zal bezien worden of voor het kenbaarmakingsbeginsel een omstandighedencatalogus kan worden opgesteld. Een omstandighedencatalogus biedt inzicht wanneer de weging tussen het kenbaarmakingsbeginsel en daarmee concurrerende beginselen in het voordeel zal uitvallen van het kenbaarmakingsbeginsel en wanneer niet.
Ik beperk mij bij het onderzoeken van het ‘andere afloop’-criterium tot de Nederlandse jurisprudentie. Het is zonder goede kennis van de talen en het procesrecht van de lidstaten niet goed mogelijk jurisprudentie met betrekking tot het kenbaarmakingsbeginsel van de verschillende lidstaten te achterhalen en te doorgronden. Bovendien kennen de meeste lidstaten vanuit hun nationale recht een vorm van het horen voordat een bezwarend besluit wordt genomen. Dat heeft tot gevolg dat uitspraken die op het kenbaarmakingsbeginsel zien, veelvuldig zullen zijn gebaseerd op de nationale wetgeving van de lidstaten. Niet alleen de vertroebeling door nationale wetgeving geeft daarbij problemen, maar de invulling van het ‘andere afloop’-criterium van andere lidstaten is niet voorgelegd aan het Hof van Justitie.