Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker
Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.5.9:7.6.5.9 ‘Opstal-werktuigen’
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.5.9
7.6.5.9 ‘Opstal-werktuigen’
Documentgegevens:
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303971:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van art. 3:3 en 3:4 jo. art. 6:174 lid 1 en lid 4.
Voor roerende zaken geldt nog dat het onder zich hebben met het oog op dan wel na afloop van het eigenlijke gebruik evenzeer ‘gebruik’ ex art. 6:181 oplevert. Zie par. 7.6.2. Dit zal in vergelijkbare zin gelden voor ‘opstal-werktuigen’ die zich vóór of ná het eigenlijke gebruik binnen het bedrijf bevinden.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat de bedrijfsmatige gebruiker ook aansprakelijk behoort te zijn voor verborgen gebreken in een opstal die hijzelf niet heeft ‘veroorzaakt’ maar die zich niettemin in verband met zijn bedrijfsuitoefening manifesteren, laat zich nader illustreren aan de hand van hetgeen ik het bedrijfsmatige gebruik van ‘opstalwerktuigen’ noem. Bepaalde (onroerende) zaken zoals de zojuist al genoemde neerkomende hijsbalk en ontploffende machine vertonen gelijkenis met werktuigen die roerend zijn en onder het regime van art. 6:173 vallen. Het aansprakelijkheidsregime van art. 6:173 houdt als reeds gezegd in dat degene die feitelijk handelt met een roerende zaak wordt geacht het aansprakelijkheidsrisico van schade in geval van een verborgen gebrek te hebben aanvaard: voor aansprakelijkheid is niet vereist dat de gebruiker het gebrek in de roerende zaak heeft ‘veroorzaakt’. De voornoemde hijsbalk en machine kenmerken zich doordat zij enerzijds – als bestanddeel van een opstal – onroerend zijn (art. 6:174) en anderzijds als bedrijfsmiddel worden gebruikt door daarmee feitelijk te handelen als ware sprake van een roerende zaak (art. 6:173). Dergelijke door art. 6:174 bestreken onroerende zaken zijn in feite te beschouwen als ‘opstal-werktuigen’. Denk verder ook aan de bovenloopkraan die aan het plafond van een productiehal is bevestigd, een hydraulische hefbrug die in een garagebedrijf is geïnstalleerd of aan andere in een fabriekshal aard en nagelvast aangebrachte werktuigen. Van deze ‘werktuigen’ die tot een opstal gerekend worden,1 is de opstal in eigenlijke zin te onderscheiden. Met dit laatste doel ik op de hiervoor al aangestipte constructieve onderdelen zonder welke een opstal als onvoltooid kan worden beschouwd dan wel om onderdelen die ‘altijd’ c.q. ongeacht het gebruik van de opstal aan bepaalde eisen van deugdelijkheid moeten voldoen (daken, muren, ramen, plafonds, liftinstallaties, en dergelijke). Deze zaken worden niet geacht samen te hangen met of onderdeel uit te maken van het (specifieke) bedrijf van de gebruiker van de opstal en vallen in beginsel niet onder zijn ‘verantwoordelijkheid’. Een bestanddeel van een opstal dat doorgaat voor ‘opstal-werktuig’ wordt wél specifiek ingezet voor de bedrijfsvoering en daar wordt ook feitelijk mee gehandeld. Niet alleen een feitelijk handelen met een werktuig dat roerend is (art. 6:173) maar ook een feitelijk handelen met een ‘opstal-werktuig’ (art. 6:174) vergroot de kans op schade door een (verborgen) gebrek in dit werktuig. In beide gevallen kan de bedrijfsmatige gebruiker derhalve geacht worden het aansprakelijkheidsrisico van schade door een (verborgen) gebrek in de zaak te hebben aanvaard.2 Voordeel van deze gelijkschakeling is dat de soms lastige discussie over de vraag of het schadeveroorzakende ‘werktuig’ nu roerend of onroerend is, niet gevoerd hoeft te worden. Bovendien wordt zodoende bewerkstelligd dat ongeacht de toevallige omstandigheid of een werktuig al dan niet kwalificeert als (bestanddeel van) een opstal, hetzelfde aansprakelijkheidsregime geldt.