RvdW 2025/1019:Medeplegen aanwezig hebben van amfetamine (art. 2 onder C Opiumwet) en medeplegen voorbereidingshandelingen m.b.t. productie van amfetamine en/of MDMA (art. 10a lid 1 onder 2 Opiumwet). Bewijsklacht medeplegen. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 5 juli 2016, NJ 2016/411, m.nt. N. Rozemond, m.b.t. medeplegen en in het bijzonder afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid. ’s Hofs bewijsvoering biedt onvoldoende grond voor zijn oordeel dat verdachte zo nauw en bewust met een of meer anderen heeft samengewerkt dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan bewezenverklaard medeplegen. Hof heeft daaraan namelijk t.a.v. feit 1 (aanwezig hebben van amfetamine) in de kern slechts ten grondslag gelegd dat verdachte zelf materiaal bevattende amfetamine aanwezig heeft gehad maar daarvan niet eigenaar was, dat hij wist dat ‘anderen daarvoor verantwoordelijk waren’ maar dat hij als eigenaar van loods niet heeft ingegrepen, en t.a.v. feit 2 (voorbereidingshandelingen) slechts dat verdachte de voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad en loods ter beschikking is blijven stellen terwijl hij wist ‘van aanmerkelijke kans op illegale situatie’ en dat ‘anderen betrokken waren bij situatie in loods’. Over samenwerking met de in bewezenverklaring van feiten 1 en 2 bedoelde ander(en) en gewicht van bijdrage van verdachte aan deze feiten heeft hof echter geen nadere vaststellingen gedaan. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met RvdW 2025/1018.