RvdW 2025/1014:Beklag, beslag ex art. 94 Sv op verschillende voorwerpen (creditcards, rijbewijzen, identiteitskaart, vaccinatiebewijs, immigratieformulier en geboortebewijs) onder klager t.z.v. verdenking van het voorhanden hebben van valse reisdocumenten. Rb heeft klager n-o verklaard in zijn beklag omdat documenten zijn teruggegeven aan afgevende instanties. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep t.a.v. voorwerpen met nummers 12 en 38. Afstandsverklaring van klager en teruggave aan klager, art. 134 lid 2 sub a Sv. 2. Toepassing van art. 116 lid 3 Sv door OM t.a.v. voorwerpen met nummers 8-16, 20, 22-28, 32, 34-38 en 42. Is er kennisgeving a.b.i. art. 116 lid 3 Sv verzonden naar klager van voornemen tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen aan ander dan klager? Ad 1. Wat betreft voorwerp met nummer 12 is van belang dat gelet op afschrift van afstandsverklaring, dat zich bij stukken bevindt, klager schriftelijk afstand heeft gedaan van dat voorwerp. Dat betekent dat klager in zoverre niet kan worden aangemerkt als belanghebbende a.b.i. art. 552a lid 1 Sv. Wat betreft voorwerp met nummer 38 moet o.g.v. afschrift van kennisgeving van inbeslagneming, dat zich bij stukken bevindt, worden aangenomen dat dit voorwerp is teruggegeven aan klager. Dit betekent dat beslag op dit voorwerp al was beëindigd op het moment van beslissing op klaagschrift (vgl. art. 134 lid 2 sub a Sv). Gelet hierop kan HR het cassatieberoep van klager niet in behandeling nemen v.zv. dat ziet op beslissing Rb in relatie tot voorwerpen met nummers 12 en 38. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG is middel terecht voorgesteld. CAG: Rb heeft overwogen dat blijkens mededeling in dossier de voorwerpen met nummers 8-16, 20, 22-28, 32, 34-38 en 42 zijn teruggegeven aan afgevende instanties, zodat beslag op die voorwerpen is beëindigd. Mededeling waarnaar Rb heeft verwezen, betreft ongedateerde beslissing van OvJ om die inbeslaggenomen voorwerpen terug te geven aan afgevende instanties. Beslissing is namens OvJ ondertekend door hulp OvJ. In ondertekeningsveld is met hand geschreven ‘zie mail OvJ’. Betreffend e-mailbericht bevindt zich niet bij stukken, zodat inhoud daarvan onbekend is. Hoe dan ook kan beslissing van OvJ niet worden aangemerkt als kennisgeving a.b.i. art. 116 lid 3 Sv aan klager van voornemen tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerp aan ander dan klager. Zo’n kennisgeving bevindt zich ook niet bij stukken. Dat betekent dat er in cassatie van moet worden uitgegaan dat klager een dergelijke kennisgeving niet heeft gehad. In dat verband is van belang dat uit p-v van raadkamerzitting kan worden afgeleid dat klager ‘in shock was’ vanwege mededeling dat zijn rijbewijzen zijn teruggestuurd naar Amerika, dat beslissing om alle documenten terug te sturen naar afgevende instanties is genomen zonder zijn medeweten en dat hij in veronderstelling verkeerde dat zijn beklag inhoudelijk zou worden behandeld. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat beklag van klager het rechtskarakter heeft van beklag over voornemen van OvJ om in afwijking van hoofdregel van art. 116 lid 1 Sv inbeslaggenomen voorwerpen te doen teruggeven aan ander dan beslagene (klager), alsof deze teruggave nog niet heeft plaatsgevonden. Rb heeft dit, blijkens motivering van haar beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van klager in beklag, miskend. Klager n-o t.a.v. voorwerpen met nummers 12 en 38 en vernietiging en terugwijzing t.a.v. voorwerpen met nummers 8-11, 13-16, 20, 22-28, 32, 34-37 en 42. CAG (strekking): klager n-o t.a.v. voorwerpen met nummers 1-7, 12, 17-19, 21, 29-31, 33, 38-41 en 43 en vernietiging t.a.v. voorwerpen met nummers 8-11, 13-16, 20, 22-28, 32, 34-37 en 42.