Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/3.9
3.9 Correctieregelingen
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS418619:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijlage B voor een beschrijving van de wetswijziging.
Pauwels 2004, p. 679.
Art. I onderdeel C Wet van 1 december 2005, Stb. 2005, 613.
Zie bijv. Rasser en Hein 2000.
Persbericht ministerie van Financiën 11 december 2002, Kamerstukken II 2002/03, 27 505, nr. 5, V-N 2003/2.4, Kamerstukken II 2003/04, 29 381, nr. 2; later opgenomen in Kamerstukken II 2003/04, 29 686, nr. 2.
Kamerstukken II 2004/05, 29 686, nr. 9, p. 4.
Zie o.a. Van Eijsden 2005, p. 922, FD 30 mei 2005 en NRC Handelsblad 18 mei 2005 en 25 mei 2005.
Een correctieregeling als overgangsmaatregel heeft qua gevolgen veel overeenkomsten met de werkingsregel terugwerkende kracht. Een correctieregeling bewerkstelligt dat belastbare feiten die zich onder de werking van de oude regel hebben voorgedaan alsnog volgens (de strekking van) de nieuwe regel worden belast. In geval van terugwerkende kracht wordt de werking van de oude regel bekort en is de nieuwe regel ook op voor de inwerkingtredingsdatum voorgevallen feiten van toepassing.
In het wetsvoorstel dat diende om de gevolgen van HR 24 mei 2002, nr. 37 021, BNB 2002/262 te repareren, was aanvankelijk voorzien in een correctieregeling.1 De voorgestelde overgangsmaatregel kwam erop neer dat in alle gevallen waarin vóór de inwerkingtreding van de wet aankoopkosten in aftrek waren gebracht, een correctie moest plaatsvinden. Indien mogelijk zou de winst van het jaar waarin de kosten in aftrek zijn gebracht, worden verhoogd met de in aftrek gebrachte kosten. Indien de aanslag over dat jaar reeds onherroepelijk vaststond, zou de winst van het eerstvolgende jaar waarover de aanslag nog niet onherroepelijk vaststond, worden verhoogd met de in aftrek gebrachte kosten. Pauwels noemt de techniek die in casu werd gebruikt zeer opmerkelijk.2 Ik deel zijn opvatting dat de wetgever waarschijnlijk voor een correctieregel heeft gekozen omdat de werkingsregel terugwerkende kracht belastingplichtigen waarvan de aanslag reeds vaststaat niet meer zou kunnen treffen. De voorgestelde correctieregeling heeft de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel echter niet overleefd.
In het hiervoor genoemde voorbeeld zou de correctieregeling als een belastende overgangsmaatregel hebben gefunctioneerd. De correctieregeling kan evenwel ook als begunstigende overgangsmaatregel worden toegepast. Een dergelijke overgangsmaatregel is getroffen ter zake van de afschaffing van art. 12 Wet VPB 1969 (omzetting afgewaardeerde vorderingen) per 9 december 2005.3 Deze regeling is ingevoerd per 1 januari 2001 en was vanaf het begin omstreden.4 Nadat de staatssecretaris van Financiën in december 2002 had aangekondigd de regeling op zeer korte termijn aan te passen, is het desbetreffende wetsvoorstel uiteindelijk op 24 december 2003 bij de Tweede Kamer ingediend.5 Aan de oproep om de regeling, vanwege zijn omstreden karakter, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2001 af te schaffen werd – met name om budgettaire redenen – geen gehoor gegeven.6 Dankzij het aandringen door verschillende leden van de Tweede Kamer en het bedrijfsleven is uiteindelijk toch nog een overgangsmaatregel in de vorm van een correctieregeling voorgesteld.7 De overgangsmaatregel houdt namelijk in dat als art. 12 Wet VPB 1969 toepassing heeft gevonden, de daarbij verschuldigde belasting onder voorwaarden wordt teruggegeven. De teruggave vindt op verzoek van de belastingplichtige plaats door een herziening van de aanslag vennootschapsbelasting over het jaar waarin art. 12 Wet VPB 1969 is toegepast.
In de genoemde voorbeelden leidt de correctieregeling ertoe dat dankzij de overgangsmaatregel de rechtsgevolgen van voldongen feiten veranderen zonder dat sprake is van terugwerkende kracht (vgl. par. 2.9.1).
In het kader van dit onderzoek definieer ik het begrip correctieregeling als volgt:
Een correctieregeling is een overgangsmaatregel die de rechtsgevolgen van bepaalde – nader aangeduide – voldongen feiten en afgeronde rechtstoestanden verandert.
Schematisch kan de correctieregeling als volgt worden weergegeven:
Voor voldongen feiten en afgeronde rechtstoestanden kan de correctieregeling zowel materieel als maatschappelijk terugwerkende kracht tot gevolg hebben. Indien de correctieregel leidt tot materieel of maatschappelijk terugwerkende kracht, zullen deze gevolgen ook intreden voor ná het werkingsmoment ontstane feiten en toestanden. Deze gevolgen worden dan evenwel niet veroorzaakt door de overgangsmaatregel, maar door de getroffen werkingsregel. In een beoordeling van de correctieregel dienen derhalve alleen voldongen feiten en afgeronde toestanden te worden betrokken. De getroffen werkingsregel dient vervolgens afzonderlijk te worden getoetst aan de beginselen van behoorlijk overgangsbeleid. Als begunstigende overgangsmaatregel kan de correctieregeling materieel of maatschappelijk terugwerkende kracht ook voorkomen. Indien zij in aanvulling op de werkingsregel terugwerkende kracht wordt getroffen, kan zij een ingrijpen in voldongen feiten of afgeronde toestanden voor nader aangeduide situaties juist voorkomen.