Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/1.6.1.3
1.6.1.3 Artikel 885 lid 3 OBW: beletten maken of herroepen uiterste wil
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859127:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voorduin 1838, p. 17 en Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 409.
Van der Kemp 1870, p. 22-23.
Kenbaar uit: Van der Kemp 1870, p. 23.
Vgl. Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 409.
Van der Kemp 1870, p. 23.
Of de gevolgtrekking die Van der Kemp maakt inhoudende dat het niet herroepen testament nietig is, juist is, betreft een ander leerstuk dat geen thema is van onderzoek.
Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 409.
Asser/Meijers 1915, p. 23, Asser-Meijers/Van der Ploeg 1967, p. 16, Asser/Perrick 1996, p. 17, Diephuis 1847, p. 261-262 en Van der Kemp 1870, p. 22. Volgens Klaassen-Eggens/Luijten 1989, p. 15, Opzoomer 1879, p. 171 (voetnoot 3) en Pitlo/Van der Burght 1981, p. 27 valt onder het maken en herroepen ook veranderen. Anders Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 409-410.
Asser/Meijers 1915, p. 23, Diephuis 1847, p. 261, Pitlo & Veegens 1941, p. 361, Voorduin 1838, p. 17 en Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 409.
In een eerder ontwerp van deze bepaling leidt enkel het door geweld of feitelijkheid beletten een uiterste wil te maken tot onwaardigheid. Bij de nieuwe redactie in 1823 is hier of te herroepen aan toegevoegd.1 Naar huidig recht is een herroeping een uiterste wilsbeschikking (art. 4:111 BW). Met andere woorden: een herroeping is het maken van een uiterste wilsbeschikking. De discussie over deze terminologie is daarmee irrelevant geworden.
Van der Kemp tekent op dat over deze bepaling in de ‘Opmerkingen en Mededeelingen’ is gevraagd hoe er bij een erfopvolging bij versterf sprake kan zijn van het beletten om een uiterste wil te herroepen. Tevens is de vraag opgekomen of het geen dode letter is om iemand in een zodanig geval bij versterf onwaardig te verklaren, aangezien dan nog een onherroepen testament bestaat.2 De wetgever wordt hiertegen als volgt verdedigd:
‘Gebeurt het toch niet zeer dikwijls, dat aan den bloedverwant, die als zoodanig volgens de wet zal erven, bovendien bij eenen uitersten wil, wiens beschikkingen niet de geheele nalatenschap omvatten, een legaat gemaakt wordt, en zou hij er dan geen belang bij kunnen hebben, de herroeping van dit testament te beletten, waardoor hij wel erfgenaam zou blijven, maar zijn legaat zou moeten missen? Mij dunkt, dit belang zou hetzelfde zijn als voor den erfgenaam naar de wet, die, om dit te blijven, den erflater belet een testament te maken.’3
Hieruit volgt dat de wetgever met de term ‘maken’ destijds niet tevens ‘herroepen’ bedoelt. Ontbreekt in dat geval deze toevoeging, dan is dus de situatie mogelijk dat een persoon die weet dat hij bij uiterste wil is bevoordeeld, zijn aanspraken daarop tegen de wil van de erflater verzekert door de erflater door geweld of een feitelijkheid te beletten zijn uiterste wil te herroepen.4
Van der Kemp meent echter dat een testament waarvan de herroeping is belet, nietig is op grond van artikel 940 OBW. Volgens hem drukt een dergelijk testament niet meer de uiterste wil van de erflater uit. De erflater is dan gedwongen geweest om zijn wil te laten zijn zoals het de geweldpleger of bedrieger goeddunkt.5Artikel 940 OBW is echter niet het juiste fundament voor deze argumentatie. Artikel 940 OBW ziet op het maken van een uiterste wil ten gevolge van dwang, bedrog of arglist. Het peilmoment van artikel 940 OBW ligt derhalve op het moment van testeren. In het hier geschetste geval is op het moment van testeren nog geen vuiltje aan de lucht. Eerst daarna treedt de misdraging op.6
Indien degene die het herroepen belet, zich vergist met te geloven dat hij bij de uiterste wil is bevoordeeld, dan treedt alsnog onwaardigheid in. Dit is bijvoorbeeld relevant als de erfgenaam in het niet herroepen testament de nalatenschap verwerpt en degene die de herroeping heeft belet dan op grond van het versterferfrecht tot de nalatenschap zou worden geroepen.7
In artikel 959 OBW wordt naast maken en herroepen ook gesproken van veranderen. In artikel 885 OBW ontbreekt deze term. De heersende mening in de literatuur is dat herroepen tevens veranderen omvat.8
In 1823 is nog voorgesteld om ook ‘door bedrog’ in lid 3 op te nemen. De regering heeft deze optie van de hand gewezen, omdat bedrog zonder dwang of feitelijkheden een al te wijd veld zou openen voor geschillen, strekkende om wettige erfgenamen uit hoofde van onwaardigheid van de nalatenschap uit te sluiten. Bovendien heeft meegespeeld dat bedrog niet alleen moeilijk te bewijzen is, maar ook geen genoegzaam vast denkbeeld geeft.9