Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/1.6.1.2
1.6.1.2 Artikel 885 lid 2 OBW: lasterlijke beschuldiging
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859126:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Klaassen/Eggens & Polak 1956, p. 163.
Bleichrodt & Vegter 2021, p. 5.
Van der Kemp 1870, p. 19.
Bleichrodt & Vegter 2021, p. 4 en 8-9. Op 31 oktober 1860 werd de laatste ter dood veroordeelde terechtgesteld, Bleichrodt & Vegter 2021, p. 5.
Asser/Meijers 1915, p. 24, Asser-Meijers/Van der Ploeg 1967, p. 17, Asser/Perrick 1996, p. 18, Diephuis 1886, p. 55, Klaassen-Eggens/Luijten 1989, p. 15, Opzoomer 1879, p. 170 (voetnoot 6), Pitlo & Veegens 1941, p. 361, Pitlo/Van der Burght 1981, p. 27 en Suijling & Dubois 1931, p. 35 (voetnoot 3).
Asser/Meijers 1915, p. 24, Asser-Meijers/Van der Ploeg 1967, p. 17, Asser/Perrick 1996, p. 18 en Pitlo & Veegens 1941, p. 361.
Pitlo & Veegens 1941, p. 361.
Land 1902, p. 24-25.
Klaassen/Eggens & Polak 1956, p. 163.
Zie hierover nader par. 2.4. In deze paragraaf wordt tevens dieper ingegaan op de andere onderdelen van deze bepaling.
Artikel 885 OBW is tot de invoering van het nieuwe erfrecht in 2003 vrijwel ongewijzigd gebleven. Enkel het tweede lid is in 1886 aangepast als gevolg van veranderingen in het strafrecht.1 In 1854 zijn de schavot- en lijfstraffen, inclusief het brandmerken afgeschaft.2 Nadien zijn de doodstraf, deportatie, tuchthuisstraf en de verbanning nog als onterende straffen aangemerkt.3 In het Wetboek van Strafrecht, dat in 1886 in werking is getreden, is de onterende straf niet langer als sanctiemogelijkheid opgenomen.4 Artikel 885 lid 2 OBW is daardoor als volgt gewijzigd:
‘Hij, die bij regterlijke uitspraak overtuigd is tegen den erflater lasterlijk te hebben ingebragt eene beschuldiging van een misdrijf waartegen eene vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is bedreigd;’
Het tweede lid sluit daarmee aan bij het ingevoerde Wetboek van Strafrecht waarin de vrijheidsstraf een centrale plaats inneemt in het sanctiestelsel. Het huidige recht kent met artikel 4:3 lid 1 sub c BW een soortgelijke bepaling. In paragraaf 2.4 komt dit nader aan de orde.
In tegenstelling tot het eerste lid wordt hier niet gesproken over een veroordeling, maar is een rechterlijke uitspraak vereist. De vraag of hieronder ook een burgerlijk vonnis valt waarin de lasterlijke beschuldiging wordt vastgesteld, beantwoorden de meest auteurs bevestigend.5 Meijers, Van der Ploeg, Perrick en Pitlo & Veegens verwijzen daarbij naar artikel 89 OBW waar eveneens wordt gesproken van ‘bij regterlijk vonnis overtuigd’.6 Volgens Pitlo & Veegens staat bij artikel 89 OBW deze uitdrukking er niet aan in de weg aan te nemen dat ook een burgerlijk vonnis daaronder valt.7 Land acht een burgerlijk vonnis daarentegen lastig te rijmen met de woorden ‘bij rechterlijke uitspraak overtuigd’ en acht een strafvonnis noodzakelijk.8 Eggens & Polak vinden de kwestie twijfelachtig.9 Met de invoering van artikel 4:3 BW is de discussie beslist. In navolging van de heersende leer is een burgerlijk vonnis voldoende bij artikel 4:3 lid 1 sub c BW.10