Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/1.6.1.4
1.6.1.4 Artikel 885 lid 4 OBW: verduisteren, vernietigen of vervalsen uiterste wil
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859095:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.6.
Rb. ‘s-Gravenhage 25 februari 1913, NJ 1913/428, p. 429.
Hof ’s-Gravenhage 30 juni 1913, NJ 1913/813, p. 815.
Asser-Meijers/Van der Ploeg 1967, p. 192, Asser/Perrick 1996, p. 17, Klaassen/Eggens & Polak 1956, p. 163, Klaassen-Eggens/Luijten 1989, p. 15 en Suijling & Dubois 1931, p. 35. Pitlo & Veegens 1941, p. 362, Pitlo/Van der Burght 1981, p. 28 en Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, p. 29 spreken daarentegen wel expliciet van een codicil waarbij slechts een executeur is aangesteld.
Zie de hiervoor aangehaalde auteurs. Voor Pitlo & Veegens 1941 verwijs ik daarbij naar p. 441. Zie voor auteurs die een andere mening zijn toegedaan de literatuurverwijzingen in Asser-Meijers/Van der Ploeg 1967, p. 192 (voetnoot 2).
Klaassen/Eggens & Polak 1956, p. 163 en Klaassen-Eggens/Luijten 1989, p. 15.
Wat de begrippen verduisteren, vernietigen en vervalsen inhouden, komt aan de orde bij de bespreking van artikel 4:3 lid 1 sub e BW.1 Deze paragraaf vestigt de aandacht op de betekenis van het begrip uiterste wil. Valt hieronder ook een codicil? Dat is een vraag waar de Rechtbank ’s-Gravenhage zich meer dan honderd jaar geleden over heeft moeten buigen.
Erflater heeft een codicil gemaakt met daarin de benoeming van een notaris tot executeur. Na het overlijden van erflater vernietigt zoon R dit codicil door het in een kachel te verbranden. De rechtbank overweegt als volgt:
‘O. daaromtrent, dat blijkens art. 922 B.W. een uiterste wil in eene akte houdende verklaring van hetgeen iemand wil, dat na zijnen dood zal geschieden, zonder dat daaromtrent in dat artikel en de verdere in dezelfde afdeeling daaropvolgende artikelen eenige uitzondering wordt gemaakt, terwijl in de vierde afdeeling de vereischten voor de geldigheid van de uiterste willen worden aangegeven;
O. nu dat de aanstelling van een executeur valt in de definitie in gezegd art. 922 van de uiterste willen gegeven en de omstandigheid, dat voor de geldigheid daarvan mindere of andere eischen worden gesteld, haar niet van karakter doet veranderen, terwijl ook de omstandigheid, dat in artt. 982 en 983 en 1052 B.W. van onderhandsch stuk wordt gesproken, haar niet het karakter van eene verklaring van hetgeen iemand wil dat na zijn dood zal geschieden, ontneemt, zij die verklaring dan ook omtrent een enkel punt gegeven;
O. dat bovendien de bepaling van art. 885 B.W. althans ten deele moet worden geacht haar grond hierin te vinden, dat de erfgenaam zich ernstig aan den persoon of den goeden naam van den erflater heeft vergrepen of dat hij de nakoming van diens wil heeft trachten te verhinderen en dit laatste ook het geval is, wanneer, zooals in casu, door vernietiging van een codicil de nakoming van den laatsten wil van den overledene ten opzichte van de benoeming van een executeur wordt verhinderd;’2
De uitspraak van de rechtbank heeft in hoger beroep geen stand gehouden en is door het Hof ‘s-Gravenhage breed gemotiveerd vernietigd. Onder meer met een beroep op de wetsgeschiedenis en door middel van interne rechtsvergelijking komt het hof tot de slotsom dat onder uiterste wil in artikel 885 lid 3 en 4 OBW niet een codicil, waarbij slechts een executeur is aangesteld, is begrepen. De volgende argumenten zijn daarbij het vermelden waard:
‘(…) en uit de bepaling van art. 410 B.W. in verband met de geschiedenis van artt. 982 en 983 B.W. blijkt dat, als men alleen van uitersten wil spreekt, men daaronder niet begrijpt, het stuk van art. 982 B.W.;
dat, waar men in art. 885 niet bij de benaming uitersten wil voegde het stuk van art. 982 B.W., dat er niet van den beginne af onder begrepen was, het ook alleszins aannemelijk is, dat het ook niet is bedoeld dat stuk eronder te begrijpen; (…)
dat dan ook de handeling gepleegd jegens het testament in engeren zin (waarbij de erflater de bevoegdheid had om over het geheel of een deel zijner nalatenschap te beschikken onder de bij de Wet vaststaande formaliteiten of in de bijzondere omstandigheden van artt. 993, 994, 995 en 998 B.W.) is eene ernstiger handeling dan die gepleegd jegens een stuk als bedoeld en omschreven bij art. 982 B.W., waarbij de beschikkingen uiterst beperkt zijn, zoodat ook de zwaarte van de straf van art. 885 B.W. niet ook uit den aard van de zaak moest drukken op de handeling jegens het stuk van art. 982 B.W. gepleegd;’3
Hoewel het hof haar conclusie specifiek toespitst op de benoeming van een executeur bij codicil, trekt het hof de kwestie breder in de hiervoor geciteerde overwegingen. Hierin wordt in algemene zin gesproken over een codicil. In de literatuur wordt het arrest ook overwegend aldus geïnterpreteerd dat volgens het Hof ’s-Gravenhage een codicil niet valt onder het begrip uiterste wil in 885 lid 3 en 4 OBW.4 Een conclusie die niet op instemming kan rekenen. De heersende mening is dat onder uiterste wil in artikel 885 lid 3 en 4 OBW ook een codicil wordt verstaan.5 Eggens, Polak en Luijten merken daarbij kortweg op dat het vonnis van de rechtbank juister is.6 Van der Ploeg licht toe dat de wetgever bewust, maar ten onrechte de benaming ‘uiterste wil’ of ‘testament’ heeft vermeden bij een codicil. Ook de beschikkingen in een codicil vallen onder de definitie van artikel 922 OBW. De voorschriften betreffende de bekwaamheid om een uiterste wil te maken, of uit een uiterste wil te genieten en die betreffende het herroepen en het vervallen van uiterste willen, zijn dan ook mede op deze beschikkingen toepasselijk. De vermijding van de benaming ‘uiterste wil of testament’ betreft volgens hem een laatste herinnering aan de Romeinsrechtelijke onderscheiding van wilsbeschikkingen in testamenten en codicillen waarbij hij opmerkt dat deze onderscheiding al sinds de 17e eeuw in ons land zonder praktische betekenis is.7