Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/1.6.1.1
1.6.1.1 Artikel 885 lid 1 OBW: ombrengen erflater
1
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859170:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Diephuis 1847, p. 256-257 en De Pinto/Teixeira de Mattos 1885, p. 360.
Van der Kemp 1870, p. 13 en Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 406.
Voor de poging tot moord geldt hetzelfde.
Van der Kemp 1870, p. 13-14.
Weve, Themis Regtskundig Tijdschrift. Vijfde deel 1844, p. 406.
Zie hierover nader par. 2.2.3.
Hof Amsterdam 13 mei 1976, ECLI:NL:GHAMS:1976:AC3027, NJ 1977/213. Zie over deze uitspraak ook het overzicht der Nederlandse rechtspraak erfrecht in WPNR 1978/5417, p. 39.
In 1988 is de term ‘krankzinnigengesticht’ vervangen door ‘psychiatrisch ziekenhuis’. Met ingang van 1 januari 2020 is de strafrechtelijke maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis vervallen. Sindsdien heeft de strafrechter de mogelijkheid op grond van art. 2.3 Wet forensische zorg (Wfz) in de daar genoemde gevallen een zorgmachtiging af te geven, Bleichrodt & Vegter 2021, p. 171-172.
Hof Amsterdam 13 mei 1976, ECLI:NL:GHAMS:1976:AC3027, NJ 1977/213.
In het WPNR wordt hierover het volgende opgemerkt: ‘Met andere woorden: als art. 885 sub 1 rept van ‘hij, die veroordeeld is terzake’, gaat het impliciet ervan uit, dat dit straftoemeting betekent en de grondslag voor de onwaardigheid is hier dus noch het ombrengen zelf noch een veroordeling deswege, doch zuiver de straftoemeting en derhalve geen onwaardigheid zonder straftoemeting’, WPNR 1978/5417, p. 39. In die tijd bestond nog niet de mogelijkheid voor de rechter iemand te veroordelen zonder een straf of maatregel op te leggen (vgl. het huidige art. 9a Sr). Dat maakt echter niet dat de straftoemeting de grondslag is voor onwaardigheid. De gedraging is de aanleiding en een veroordeling was (en onder het huidige recht veelal ook nog steeds) een voorwaarde om tot onwaardigheid te komen. Zie over onwaardigheid en art. 9a Sr nader par. 2.2.3.
Keulen & Knigge 2020, p. 110.
Vgl. ook Hofstee, in: T&C Strafrecht, art. 36f Sr, aant. 5a (online, bijgewerkt tot en met 1 augustus 2023).
Asser/Meijers 1915, p. 23.
Asser-Meijers/Van der Ploeg 1967, p. 16 en Asser/Perrick 1996, p. 16.
Klaassen/Eggens & Polak 1956, p. 162 resp. Klaassen-Eggens/Luijten 1989, p. 15.
Zie hierover nader par. 2.2 en 2.2.2.
Asser/Perrick 4 2021/25.
Uit het eerste lid volgt dat een veroordeling is vereist. Het gaat hierbij om een veroordelende uitspraak van de strafrechter.2 Het OBW wijkt hierin af van het Romeinse recht waar een bewijs van schuld voldoende is.3 In de situatie dat de moordenaar van de erflater voor zijn veroordeling het leven laat, wordt het verschil tussen beide systemen zichtbaar.4 Volgens het OBW is de moordenaar niet onwaardig. Naar Romeins recht bestaat wel een mogelijkheid om tot onwaardigheid te komen. Hoewel door het overlijden van de moordenaar strafvervolging niet meer mogelijk is, kan het bewijs van schuld in een civiele procedure geleverd worden.5 De huidige wet vordert nog altijd een (onherroepelijke) veroordeling. Jurisprudentie van het EHRM brengt echter mee dat deze voorwaarde niet in alle gevallen gehanteerd mag worden. Of de oplossing gezocht kan worden in een bewijs van schuld, zoals bij de Romeinen, komt in paragraaf 2.2.3 aan de orde.
Volgens Weve heeft de wetgever de eis van een veroordeling gesteld om alle moeilijkheden te voorkomen.6 Dat doel is echter niet bereikt. Niet alleen het stellen van de voorwaarde zelf geeft aanleiding tot problemen,7 ook de betekenis van het begrip ‘veroordeling’ heeft geleid tot rechtspraak.8
H heeft iemand van het leven beroofd. De strafrechter acht het misdrijf doodslag bewezen verklaard. H is echter niet strafbaar en wordt daarom ontslagen van alle rechtsvervolging. Wel wordt aan H een maatregel opgelegd: opneming in een krankzinnigengesticht.9 Bij het Hof Amsterdam ligt de vraag voor of in dit geval van een veroordeling in de zin van artikel 885 OBW sprake is. Het hof overweegt als volgt:
‘In de tijd dat gemeld artikel [artikel 885, MdV] de diverse fasen van behandeling doorliep, grof gezegd de periode van 1823–1833, gold in Nederland de Franse Code penal en officiële plannen om te geraken tot een geheel nieuw Nederlands Wetboek van Strafrecht bestonden sedert 1827 en geruime tijd daarna niet meer.
Art. 64 Code penal, hier geciteerd in de officiële Nederlandse vertaling luidde:
‘Daar is noch misdaad, noch wanbedrijf, zo wanneer de beklaagde ten tijde van het feit in staat van krankzinnigheid was, of wanneer hij door overmagt gedwongen werd.’
Daaruit volgt dat de burgerlijke wetgever ten tijde dat hij art. 885 ontwierp in het geheel niet kan hebben gedacht aan een — immers in die tijd onbestaanbare — ‘veroordeling’ van een persoon die, gelijk H., ten tijde van het begaan van het feit zozeer lijdende was aan gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke storing van zijn geestvermogens dat — naar het oordeel van de strafrechter — zelfs voor toepassing van art. 37a jo. art. 37, lid 3, Sr. geen plaats was en van wie met toepassing van art. 37 Sr. de plaatsing in een krankzinnigengesticht is bevolen.
Ten aanzien van H. is derhalve geen sprake van een ‘veroordeling’ in de zin waarin dit begrip in art. 885 BW moet worden opgevat en derhalve niet van onwaardigheid.’10
In de voorlaatste alinea lijk het hof te spreken over een strafrechtelijke ‘veroordeling’.11 H is echter niet strafrechtelijk veroordeeld. Immers, hij is ontslagen van alle rechtsvervolging. Enkel indien de rechter het ten laste gelegde bewezen en strafbaar acht alsmede de verdachte strafbaar, spreekt hij een veroordeling uit.12 Met andere woorden: komt de rechter tot vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging dan is van een veroordeling geen sprake.13 Nu van een strafrechtelijke veroordeling geen sprake is, hetgeen artikel 885 lid 1 OBW vereist, had het hof zonder veel omhaal tot de conclusie kunnen komen dat H niet onwaardig is. Onder het huidige recht laait de discussie weer op of ontslag van alle rechtsvervolging onwaardigheid meebrengt. In paragraaf 2.2.3.6 komt dit uitgebreid aan de orde.
De verwijzing van het hof naar de Code penal kan ik bovendien niet geheel volgen. Het is juist dat de Code penal gold in Nederland ten tijde van het ontwerpen van artikel 885 OBW. In 1886 is echter het Wetboek van Strafrecht ingevoerd. Ten gevolge van die invoering heeft de wetgever artikel 885 OBW langs de lat van het nieuwe Wetboek van Strafrecht gelegd en geen reden gezien om het eerste lid te wijzigen.14 Hieruit moet mijns inziens worden afgeleid dat bij de toepassing van artikel 885 OBW na 1886 gekeken dient te worden naar het Wetboek van Strafrecht en niet naar de Code penal.
Een ander discussiepunt onder 885 lid 1 OBW is de vraag of deze bepaling zich ook uitstrekt tot de medeplichtige. Meijers meent dat in overeenstemming met artikel 47 Wetboek van Strafrecht (Sr) met de dader gelijkgesteld moet worden de mededader, de middellijke dader en de uitlokker. De medeplichtige valt volgens hem er niet onder.15 Van der Ploeg en Perrick zijn eenzelfde mening toegedaan waarbij Perrick nog opmerkt dat deze opvatting met de Franse rechtspraak overeenkomt.16 Eggens, Polak en Luijten zijn minder stellig en achten het twijfelachtig of de medeplichtige onder deze bepaling valt.17 Met de invoering van het huidige artikel 4:3 BW is deze discussie beslecht. Artikel 4:3 lid 1 sub a BW strekt zich ook uit tot de medeplichtige.18
Over de terminologie valt nog het volgende op te merken. Artikel 47 Sr gebruikt het woord dader in ruime zin. Hieronder vallen de pleger, medepleger, doen pleger en uitlokker. Meijers, Van der Ploeg en Perrick verwijzen uitdrukkelijk naar artikel 47 Sr, maar hanteren in afwijking van de daar gebruikte begrippen, de termen ‘mededader’ en ‘middellijke dader’. Aangezien de term dader ook gebruikt kan worden in de beperkte zin van pleger, is deze woordkeuze ongelukkig te noemen. In latere literatuur houdt Perrick wel de termen aan uit artikel 47 Sr.19