Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/3.6.5
3.6.5 Collegialiteitsbeginsel voor alle rechtspersonen is een rechtspolitieke keuze
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS349734:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/417.
Van der Heijden/Dortmond, Handboek NV/BV 2013/233.
Asser/Maeijer 2-III 2000/321 onder verwijzing naar Rb. Rotterdam 17 juni 1999, JOR 1999/244 m.nt. F.J.P. Van den Ingh. Herhaald in: Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/445.
Dortmond 1990, p. 17.
Kamerstukken II 1983/84, 16 631, nr. 6 (MvA), p. 36.
Verdam 2013, par 3 en Galle 2007.
Zie hierover: Galle 2007 die pleit voor opheffing van die verschillen.
Van der Heijden/Van der Grinten/Honée & Hendriks-Jansen, Handboek NV/BV 1992/233.
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 2 (Voorstel van Wet).
D.N. de Boer en A. Schennink, ‘Aansprakelijkheid van bestuurders en toezichthouders in de semipublieke sector’, TOP 2014/241.
Galle 2007.
Brief aan de Tweede Kamer van 12 november 2013 (Kamerstukken II 2012-2013, 33750 VI, nr. 31) en Ambtelijk voorontwerp van de memorie van toelichting bij de Wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de Faillissementswet in verband met het verbeteren van de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen en stichtingen alsmede de uniformering van enkele bepalingen daaromtrent voor alle rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen), https://www.internetconsultatie.nl/bestuurentoezichtrechtspersonen. Zie voorts: De Boer en Schennink 2014.
De Boer en Schennink 2014; A. Hendrikse, ‘Insolvente stichtingen en bestuurdersaansprakelijkheid’, in: R.J. van Galen e.a. (red.), De insolvente vennootschap, Insolad Jaarboek 2010, Deventer: Kluwer 2010, p. 49.
Rb. Oost-Brabant 17 juli 2013, RO 2013/73 (Stichting Bureau Jeugdzorg); Hof Amsterdam 21 september 2010, JOR 2011/40 m.nt. J.B. Wezeman (Stichting Freule Lauta van Aysma).
Rb. Noord-Nederland 10 juni 2015, JOR 2016/2 m.nt. S.L. Rive (Stichting Diogenes).
De volgende vraag van Kamerleden naar aanleiding van het wetsvoorstel van 8 juni 2016 in Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 5 (Verslag), p. 3 lijkt mij dan ook terecht: “De genoemde leden lezen in het wetsvoorstel dat de regeling omtrent aansprakelijkheidsstelling bij faillissement wordt aangevuld. Dit biedt meer bescherming aan onbezoldigde bestuurders en commissarissen van niet-commerci ë le verenigingen en stichtingen en commissarissen van informele verenigingen. Deze leden zijn benieuwd of onder deze categorie ook omvangrijke en essenti ë le semipublieke instellingen kunnen vallen, zoals woningcorporaties en zorginstellingen.”
Welke inhoudelijk onbehoorlijke taakvervulling bij niet-commerciële rechtspersonen naar mijn mening minder snel zal moeten worden aangenomen. Zo schreef Y. Borrius in haar noot bij Hof ’s-Hertogenbosch 20 december 2011, JOR 2012/103 m.nt. Y. Borrius (DLS) dat “de vele vrijwilligers die (onbezoldigd) bestuurstaken verrichten het leven mogelijk moet worden gemaakt. Met de inzet en beschikbaarheid van dergelijke bestuurders zou het snel gedaan zijn als aansprakelijkheidsrisico’s om het minste op de loer liggen. Van de bestuurder/vrijwilliger kan niet dezelfde mate van kennis en betrokkenheid worden gevergd als van een beroepsbestuurder.”
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 3 (MvT), p. 16-17.
Vergeefs omdat niet was komen vast te staan dat de vereniging onderworpen was aan vennootschapsbelasting.
Rb. Noord-Holland 2 september 2015, JOR 2016/122 (Voetbal Vereniging Young Boys),r.o. 4.22.
Hof ’s-Hertogenbosch 20 december 2011, JOR 2012/103 m.nt. Y. Borrius (DLS), hetgeen weliswaar externe bestuurdersaansprakelijkheid betrof, maar waarin het hof wel overwoog dat het feit dat de aangesproken bestuurder als voorzitter van het bestuur hoofdverantwoordelijke was binnen de stichting en dat zij de feitelijke werkzaamheden overliet aan een derde en, wat de financiële aspecten betreft, aanvankelijk afging op de penningmeester, achteraf bezien, naïef is geweest, maar niet kan worden bestempeld als een zodanig handelen dat haar daarvan een ernstig persoonlijk verwijt valt te maken. Borrius schreef in haar noot dat de mogelijke naïviteit van de aangesproken bestuurder haar door het hof niet wordt aangerekend, hetgeen Borrius gelet op de aard en activiteiten van de stichting – het uitgeven van een schoolkrant – volkomen terecht voorkomt. Alhoewel het hof dit niet nadrukkelijk als perspectief noemt, zullen het doel en de kernactiviteiten van de stichting en de daarmee verbonden risico’s bij de beoordeling in ogenschouw zijn genomen. Met naïviteit zal een beroepsbestuurder van een professionele onderneming immers niet snel wegkomen. Dat dit overigens steeds van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld, blijkt uit Hof Amsterdam 12 juni 2012, JOR 2012/348 (Nederlandse Rode Kruis) waarin een onbezoldigde (vrijwillige) penningmeester op grond van art. 2:9 BW aansprakelijk werd geacht voor het houden van onvoldoende collegiaal toezicht, als gevolg waarvan de secretaris buiten zijn zicht om frauduleuze onttrekkingen kon verrichten. Dat sprake was van een rechtspersoon met een maatschappelijke functie die beschikte over publieke gelden, zal daar zeker een rol in hebben gespeeld.
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 4 (Advies Raad van State en Nader Rapport), p. 2. Verder is opgemerkt: “Voorts is de Afdeling er niet van overtuigd dat de normen voor bestuur en toezicht van kapitaalvennootschappen (ondernemingen) een dermate algemeen karakter hebben dat zij zich lenen voor een rechtsvorm-neutrale toepassing” (p.2); “Daarbij dient bijvoorbeeld de wettelijke regeling van de vereniging dusdanig te zijn dat zij zowel een adequate basis biedt voor een vereniging met omvangrijke commerci ë le activiteiten, als voor een buurtvereniging of kleine sportvereniging” (p. 6); En: “Men kan aan de bestuurders van een kleine stichting waarbij de bestuurders voor hun bestuurswerk slechts een bescheiden vergoeding ontvangen, niet dezelfde eisen stellen als aan professionele bestuurders van bijvoorbeeld een woningcorporatie of zorginstelling met een daaraan gekoppelde vergoeding” (p. 10).
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 5 (Verslag), p. 4.
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 2 (Voorstel van Wet).
Kamerstukken II 2015/16, 34 491, nr. 5 (Verslag), p. 3.
Het collegialiteitsbeginsel en de daarmee samenhangende collectieve verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid is, zoals gezegd, een rechtspolitieke keuze en legt in beginsel een grote verantwoordelijkheid op bestuurders van rechtspersonen. De vraag is of dit wenselijk en ook beoogd is. Ik ben van mening dat het collegialiteitsbeginsel, met de daarmee samenhangende verplichting van de bestuurder om zijn taak collegiaal behoorlijk te vervullen, niet altijd in al zijn consequenties moet worden doorgetrokken naar alle rechtspersonen en dat de taakverdeling in sommige gevallen toch een belangrijke rol kan spelen. Daartoe geldt het volgende.
Het leerstuk van interne bestuurdersaansprakelijkheid heeft zich zowel in de wetsgeschiedenis als in de literatuur met name ontwikkeld met het oog op kapitaalvennootschappen (de naamloze en besloten vennootschap) in het bijzonder en niet met het oog op rechtspersonen in het algemeen (zie ook par. 3.7). Collegiaal bestuur en de daarmee samenhangende hoofdelijke aansprakelijkheid zijn bij kapitaalvennootschappen dan ook dieper geworteld dan bij andere rechtspersonen het geval is. Dit is een gevolg van het feit dat van oudsher wordt aangenomen dat een meerhoofdig bestuur van een kapitaalvennootschap als college van gezamenlijke bestuurders de bestuurstaken uitoefent en daarvoor collectieve verantwoordelijkheid draagt. Er is bij de naamloze en besloten vennootschap steeds sprake van collegiaal bestuur.1 In het stelsel van de wet vormen de bestuurders van de naamloze en besloten vennootschap een college.2
Ten aanzien van het sinds 1976 voor alle rechtspersonen geldende en in 1992 vernummerde art. 2:9 BW merkte Maeijer op dat de tweede zin van art. 2:9 BW bijzonder is en uitgaat van een hoofdelijke aansprakelijkheid van iedere bestuurder voor een tekortkoming (door een of meer van hen) in de behoorlijke vervulling van de bestuurstaak, zulks behoudens de mogelijkheid van individuele disculpatie zoals aangeduid in de laatste zinsnede. Maeijer schreef hierover echter dat art. 2:9 BW voor aansprakelijkheid weliswaar de eis stelt dat het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van de gezamenlijke bestuurders behoort, maar dat bij “de NV en de BV” de bestuurstaak in haar geheel is opgedragen aan alle bestuurders. De wet gaat immers ervan uit dat het bestuur als collectief bestuurt. Dit betekende volgens Maeijer dat een zekere taakverdeling voor wat betreft de uitoefening van de bestuurstaak (dus bij “de NV en de BV”) erop zichzelf niet toe kan leiden dat een aangelegenheid daarom niet tot de werkzaamheid van een bestuurder behoort, zodat van zijn (hoofdelijke) aansprakelijkheid geen sprake zou kunnen zijn.3
Dortmond schreef in dat verband over art. 2:8 BW (oud), thans art. 2:9 BW, dat alleen bij rechtspersonen waarbij men de bestuurstaak als geheel kan splitsen over twee of meer bestuurders of bestuurlijke organen, die dan ieder een afzonderlijk opgedragen bestuurstaak hebben, het mogelijk is dat een aangelegenheid niet tot de werkkring van een bestuurder behoort. In alle andere gevallen, zoals bij de naamloze vennootschap (onder het huidig recht) en de besloten vennootschap, behoort een aangelegenheid altijd tot de werkkring van alle bestuurders en moet derhalve altijd van een hoofdelijke aansprakelijkheid worden uitgegaan.4
Dat het collegialiteitsbeginsel bij kapitaalvennootschappen (‘de NV en de BV’) dieper geworteld is dan bij andere rechtspersonen zoals verenigingen en stichtingen, voor welke rechtspersonen art. 2:9 BW evengoed geldt, blijkt ook uit de eerder aangehaalde parlementaire geschiedenis van de Derde Misbruikwet. Daarin noemde de Minister het beginsel van de collectieve verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van het bestuur voor het bestuursbeleid een “fundamenteel en waardevol beginsel van vennootschapsrecht”5 en dus niet van het “rechtspersonenrecht”. Het is onder meer ook terug te voeren op de (inmiddels vervallen) Departementale Richtlijnen 1986.6 Deze Departementale Richtlijnen golden uitsluitend voor kapitaalvennootschappen. In par. 8 van de Departementale Richtlijnen was – kort gezegd – bepaald dat iedere bestuurder in het bestuurscollege van een kapitaalvennootschap ten minste één stem dient te hebben en dat geen der bestuurders meer stemmen kan uitbrengen dan de andere bestuurders tezamen.7 Inmiddels is deze regel opgenomen in art. 2:129/239 lid 2 BW. Voorts was in par. 8 van de Departementale Richtlijnen uitdrukkelijk bepaald dat de statuten van de kapitaalvennootschap mochten regelen hoe binnen een meerhoofdig bestuur een besluit tot stand kwam. Deze regeling moest echter wel zodanig zijn dat iedere bestuurder aan de besluitvorming kon meewerken. De bepaling dat beslissingen over bepaalde onderwerpen aan het bestuur werden onttrokken was niet toegestaan. De bepaling dat een bestuurder speciaal was belast met bepaalde bestuurswerkzaamheden was wel toegestaan.
Voor verenigingen en stichtingen gelden de hiervoor genoemde dwingendrechtelijke bepalingen (zoals art. 2:129/239 lid 2 BW) niet. Het bestuur van die rechtspersonen is minder gereguleerd en de mogelijkheid dat bij een meerhoofdig bestuur de facto slechts één bestuurder de macht uitoefent is daar opengehouden.8 In het verleden werd – onder verwijzing naar bestuursconstructies bij coöperaties en naar de niet-ongebruikelijke verdeling van taken bij verenigingen en stichtingen tussen enerzijds een dagelijks bestuur/directie en anderzijds een algemeen bestuur – zelfs de mogelijkheid in het midden gelaten dat het bestuur van een rechtspersoon over twee organen werd verdeeld.9
Door de invoering van de Derde Misbruikwet is de verantwoordelijkheid van bestuurders van zogenoemde commerciële (aan vennootschapsbelasting onderworpen) verenigingen en stichtingen op grond van de art. 2:50a en 2:300 BW gelijkgetrokken met die van bestuurders van kapitaalvennootschappen op grond van art. 2:138/248 BW. Het praktische belang van de met het collegialiteitsbeginsel samenhangende verplichtingen van individuele bestuurders is in het ondernemingsrecht daarmee verruimd in geval van faillissement van dergelijke rechtspersonen. Daarmee mag aangenomen worden dat bestuurders van commerciële verenigingen en stichtingen zich bewust zijn van het belang van hun invloed en betrokkenheid bij het bestuur en bij alle belangrijke aspecten die de rechtspersoon aangaan.
Bij de invoering van het sinds 1 januari 2013 luidende art. 2:9 BW is het praktische belang van het collegialiteitsbeginsel voor alle rechtspersonen ook verruimd buiten faillissement. In art. 2:9 BW is thans expliciet bepaald dat iedere bestuurder verantwoordelijk is voor het algemene beleid van de rechtspersoon, terwijl art. 2:9 BW betrekking heeft op alle rechtspersonen en niet alleen op kapitaalvennootschappen. In het hiervoor in par. 3.2 genoemde Voorstel van Wet bestuur en toezicht rechtspersonen van 8 juni 2016 wordt, zoals daar uiteengezet, voorgesteld om art. 2:138/248 BW niet alleen ex art. 2:50a en 2:300 BW te laten gelden voor verenigingen en stichtingen die aan vennootschapsbelasting zijn onderworpen, maar ook voor andere verenigingen en stichtingen.10 Het onderscheid tussen de rechtspersonen onderling en tussen commerciële en niet-commerciële verenigingen en stichtingen wordt hiermee verlaten.11
Inmiddels wordt dan ook aangenomen dat het collegialiteitsbeginsel, met de daarmee samenhangende collectieve verantwoordelijkheid en hoofdelijke aansprakelijkheid, geldt voor alle rechtspersonen. Galle schreef dat de collegialiteit in het verenigingsrecht en stichtingsrecht niet andersoortig is dan in het kapitaalvennootschappenrecht.12
Men dient zich echter te realiseren dat de wijzigingen die art. 2:9 BW sinds 1992 heeft ondergaan alsmede de wijzigingen die men thans voor ogen heeft, met name zijn ingegeven door enerzijds het faciliteren van een monistisch bestuursmodel (naast het dualistisch bestuursmodel) en anderzijds de wens om maatregelen te nemen ter verbetering van de kwaliteit van bestuur en toezicht bij verenigingen en stichtingen in semipublieke sectoren (zoals in de woningbouw en de gezondheidszorg).13 Het gegeven dat veel van de bedoelde rechtspersonen in semipublieke sectoren zijn vrijgesteld van de verplichting om vennootschapsbelasting te betalen, terwijl zij wel degelijk commerciële activiteiten ontplooien, maakte dat dit soort stichtingen strikt genomen niet vielen onder de werking van de artt. 2:50a en 2:300 BW. Met het op 8 juni 2016 ingediende wetsvoorstel wordt dat euvel verholpen. Het feit dat verenigingen en stichtingen in semipublieke sectoren veelal een belangrijke maatschappelijke functie hebben waar grote (maatschappelijke en financiële) belangen spelen, terwijl deze rechtspersonen bovendien handelen met publiek geld, speelde daarin vanzelfsprekend een belangrijke factor. Gelet op de publieke taak van semipublieke instellingen hebben bestuurders te maken met een veel grotere groep stakeholders (waaronder de overheid) wiens (soms tegenstrijdige) belangen zij moeten respecteren. Het bestuur zal altijd een zorgvuldige afweging moeten maken waarbij alle belangen in acht moeten worden genomen en daarbij noopt omgaan met publiek geld tot een zwaardere zorgvuldigheidsnorm.14 Van het bestuur van een organisatie die handelt ter uitvoering van een publieke taak en daarbij volledig van overheidsgeld afhankelijk is, mag immers een zekere voorzichtigheid bij het aangaan van (financiële) verplichtingen verwacht worden.15 Ook zorgvuldigheidsverplichtingen buiten de financiële sfeer kunnen zwaarwegend zijn bij semipublieke instellingen of bij rechtspersonen met een maatschappelijk karakter en derhalve leiden tot aansprakelijkheid van bestuurders. Zo oordeelde de Rechtbank Noord- Nederland dat een stichting die in een zorgboerderij onderdak en dagbesteding aanbood aan mensen met een verstandelijke handicap, haar zorgvuldigheidsverplichtingen jegens hen ernstig had geschonden en dat de bestuurders in dat verband kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van art. 2:138/248 BW kon worden verweten.16
Het collegialiteitsbeginsel lijkt in de loop der jaren dus aan belang te hebben toegenomen. Dit blijkt reeds uit het huidige art. 2:9 BW, waarin is opgenomen dat elke bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken. Het wordt voorts nog eens onderstreept in het wetsvoorstel van 8 juni 2016. Nadat in het daarin voorgestelde art. 2:9 BW is uiteengezet dat elke bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken en dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak, wordt in art. 2:9a lid 1 BW uitdrukkelijk bepaald dat de taak om (collegiaal) toezicht te houden op bestuurders niet middels een taakverdeling aan niet-uitvoerende bestuurders kan worden ontnomen:
“1. Bij de statuten kan worden bepaald dat de bestuurstaken worden verdeeld over éé n of meer niet uitvoerende bestuurders en éé n of meer uitvoerende bestuurders. De taak om toezicht te houden op de taakuitoefening door bestuurders kan niet door een taakverdeling worden ontnomen aan niet uitvoerende bestuurders. (…)”
De hiervoor – in het kort – geschetste achtergrond van het collegialiteitsbeginsel is van groot belang. De achtergrond laat naar mijn mening namelijk zien dat het niet vanzelfsprekend is dat het collegialiteitsbeginsel, met de daarmee samenhangende verplichting om collegiaal te besturen, met al zijn consequenties wordt doorgetrokken naar alle rechtspersonen. Dat zou met name niet zo moeten zijn bij (kleine) rechtspersonen die geen kapitaalvennootschap, commerciële vereniging of stichting zijn en die niet actief zijn in de semipublieke sector.17 Voor bestuurders van deze rechtspersonen zal naar mijn mening steeds van geval tot geval moeten worden beoordeeld of een medebestuurder die geen inhoudelijk onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten,18 wel collegiaal onbehoorlijke taakvervulling kan worden verweten als gevolg waarvan hij
zich niet kan disculperen. Van oudsher is het bij stichtingen en verenigingen, zoals gezegd, zo dat bestuurders zich meer op een specifieke taak kunnen richten, zonder zich per definitie bezig te hoeven houden met het algemene beleid. Dat art. 2:9 BW, dat is geschreven voor alle rechtspersonen, thans anders bepaalt, zou naar mijn mening niet af moeten doen aan het gegeven dat het collegialiteitsbeginsel bij die rechtspersonen minder diep geworteld is en dat de consequenties van het collegialiteitsbeginsel dus niet steeds ten volle moeten gelden. In het hiervoor reeds aangehaalde art. 2:9c lid 2 BW van het wetsvoorstel van 8 juni 2016 heeft de Minister bepaald dat dit lid niet vantoepassing is op “een onbezoldigd bestuurder van een vereniging of stichting die niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting is onderworpen en op een onbezoldigd bestuurder van een vereniging waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notari ë le akte.” Uit de memorie van toelichting blijkt dat de aanleiding daarvoor is dat:
“de toepassing van de bedoelde regeling op alle rechtspersonen, het voor kleine, niet-commerci ë le verenigingen en stichtingen moeilijker kan maken om vrijwilligers te vinden voor de vervulling van bestuurs- of commissarisfuncties. (…) De drempel voor een succesvolle aansprakelijkstelling van de genoemde bestuurders en commissarissen wordt zo aanmerkelijk verhoogd. Hiermee wordt zoveel mogelijk voorkomen dat men zich ten onrechte door de regeling laat weerhouden om zich als vrijwilliger in te zetten als bijvoorbeeld bestuurder van een buurtvereniging of sportclub.”19 Zou niet ook buiten faillissement rekening moeten worden gehouden met deze omstandigheid? Ik meen van wel. Er zijn situaties denkbaar waarin het collegialiteitsbeginsel minder doorslaggevend moet zijn voor de beoordeling van de individuele aansprakelijkheid. In een geschil dat was voorgelegd aan de Rechtbank Noord-Holland, waarin de curator een vergeefs beroep deed op art. 2:50a jo. art. 2:138/248 BW20 en dat op basis van art. 6:162 BW werd beslecht, maar waarin dezelfde maatstaven werden gehanteerd als voor interne bestuurdersaansprakelijkheid, was dat het geval.21 Daarin werd bijvoorbeeld– mijns inziens terecht – geoordeeld dat een secretaris van een voetbalvereniging, die tevens statutair bestuurder was, niet aansprakelijk was voor de wanpraktijken van zijn medebestuurders gelet op de kleinschaligheid van de vereniging en zijn ondergeschikte rol in het bestuur. Hij was verantwoordelijk voor het bijhouden van de ledenadministratie en het bijhouden van wedstrijdformulieren. Als de rechtbank het collegialiteitsbeginsel in deze zaak ongeclausuleerd had toegepast, zou de rechtbank de vraag hebben moeten stellen of de secretaris had ‘behoren te weten’ van de wanpraktijken (bijvoorbeeld juist gelet op de kleinschaligheid van de vereniging). Bij positieve beantwoording van die vraag had rechtbank vervolgens moeten oordelen dat de secretaris aansprakelijk was op grond van art. 6:162 BW omdat hij zou hebben verzuimd in te grijpen (zie in dit verband par. 10.8 inzake bewaarnemersrol van de bestuurder). Zover kwam het dus niet, naar mijn mening omdat de rechtbank deze consequenties van het collegialiteitsbeginsel gelet op de aard en omvang van de rechtspersoon niet vond passen. Ik denk dat deze conclusie niet anders was geweest indien de rechtbank had geoordeeld dat art. 2:50a jo. art. 2:138/248 BW in deze zaak wel van toepassing was. De secretaris had dan een beroep kunnen doen op de disculpatiemogelijkheid van art. 2:138/248 lid 3 BW. Een vergelijkbare situatie speelde bij een bestuurder van een stichting die een schoolkrant uitgaf. Deze bestuurder werd zelfs geacht niet aansprakelijk te zijn, terwijl de onbehoorlijke taakvervulling zich op het financiële beleid had voorgedaan.22
Er moet ruimte blijven bestaan voor uitzonderingsgevallen waarin rekening wordt gehouden met de verscheidenheid van rechtspersonen die bijvoorbeeld geen kapitaalvennootschap zijn of geen onderneming drijven en waarin het collegialiteitsbeginsel in de praktische werkelijkheid een minder grote rol speelt (de stichting die een schoolkrant uitgeeft, de voetbalvereniging etc.). Zoals de Raad van State opmerkte bij het Wetsvoorstel van 8 juni 2016 “is van belang dat er in
Nederland enkele honderdduizenden stichtingen en verenigingen zijn. Achter dit aantal gaat een bonte verscheidenheid van al dan niet professioneel geleide organisaties schuil, vari ë rend van zeer klein tot zeer groot, en een grote differentiatie in bestuursmodellen en toezichtstructuren, gebaseerd op een flexibel wettelijk kader dat veel ruimte laat voor eigen, statutaire regelingen”.23 De thans in art. 2:9 lid 2 BW opgenomen zinsnede dat elke bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken (zoals herhaald in art. 2:9 BW van het wetsvoorstel van 8 juni 2016), leidt volgens mij voor deze gevallen tot een onwenselijke uitkomst. In dat verband is de volgende opmerking in de Tweede Kamer naar aanleiding van het wetsvoorstel van 8 juni 2016 volkomen terecht:
“De genoemde leden constateren dat de regering voor kleinere stichtingen en verenigingen bij faillissement hogere drempels voor aansprakelijkheidstelling geeft dan bij andere rechtspersonen. Zij kunnen dit – gezien het vaak informele karakter – heel goed plaatsen. Vrijwilligers moeten er niet van weerhouden worden om zich in te zetten voor het maatschappelijk middenveld. Bij de aansprakelijkheid op grond van artikel 9b BW wordt er echter geen onderscheid gemaakt. Waarom is dit het geval? Is het niet evenzeer gewenst om de drempel niet onnodig laag te maken?”24
De redenen om te overwegen art. 2:138/248 BW niet zonder meer van toepassing te verklaren op alle verenigingen en stichtingen, zoals dat thans is beoogd in art. 2:9c BW van het wetsvoorstel van 8 juni 2016 (zie par. 3.2),25 gelden evengoed voor het huidige art. 2:9 BW. Bovendien doet de uitzondering genoemd in lid 2 van art. 2:9c BW, als gevolg waarvan “de drempel voor een succesvolle aansprakelijkstelling van de genoemde bestuurders en commissarissen aanmerkelijk” wordt verhoogd, mijns inziens nog onvoldoende recht aan de eerdergenoemde maatschappelijke werkelijkheid. De door mij in hoofdstuk 8 gedane voorstellen om de door de Minister voorgestelde art. 2:9 t/m 2:9c BW te wijzigen, doen enerzijds recht aan de wens om uniforme regels voor alle rechtspersonen te creëren (“De leden van de D66-fractie constateren dat het wetsvoorstel een algehele uniformering nastreeft tussen alle rechtspersonen”)26 en anderzijds aan de diversiteit tussen rechtspersonen.