Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.8.3.6
4.8.3.6 Examencommissie; instellen, onafhankelijkheid en deskundigheid
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949562:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 2.60d, eerste lid, van de Wvo 2020, artikel 7.4.5, eerste lid, van de Web en artikel 7.12a, eerste lid, van de Whw.
Zoontjens en van Berkel 2020, p. 39.
Zoontjens en van Berkel 2020, p. 39.
Artikel 2.60d, eerste lid, van de Wvo 2020, artikel 7.4.5, eerste lid, van de Web en artikel 7.12a, eerste lid, van de Whw.
Artikel 7.4.5, negende lid, van de Web en artikel 7.12a, derde lid, van de Whw.
Stb. 2010, 119.
Louw 2011, p. 418.
Vereniging Hogescholen 2021, p. 19.
Zoontjens en van Berkel 2020, p. 33.
Artikel 2.60d, vierde lid, van de Wvo 2020.
Artikel 7.4.5, zesde tot en met achtste lid, van de Web en artikel 7.12b, eerste lid, onder b, van de Whw.
Zoals hiervoor uiteengezet zijn er examencommissies in het voortgezet, middelbaar beroeps- en hoger onderwijs. Deze examencommissies zijn op hoofdlijnen als volgt ingericht. Het bevoegd gezag stelt één of meer examencommissies in.1 In het hoger onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs wordt een examencommissie ingesteld voor een opleiding of een groep van opleidingen en in het voortgezet onderwijs kunnen binnen de school één of meer examencommissies ingesteld worden. Zoontjens en Van Berkel schrijven dat examencommissies in het hoger onderwijs zich in verschillende groottes voordoen.2 Zo zijn er kleine examencommissies voor één opleiding en grote examencommissies die bijvoorbeeld fungeren voor een hele faculteit. Een grotere examencommissie kan bijdragen aan het ontwikkelen en onderhouden van expertise en verdere professionalisering.3
Het bevoegd gezag benoemt de leden van de examencommissie.4 Alvorens tot benoeming over te gaan hoort het hierover de leden van de betreffende examencommissie. Voor het voortgezet onderwijs is bepaald dat leden van het bevoegd gezag, leden van de medezeggenschapsraad, de directeur van de school en leerlingen en hun ouders geen lid mogen worden van de examencommissie.5 In het middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs is enkel bepaald dat personen die financiële verantwoordelijkheid dragen geen lid worden van de examencommissie.6
Het is aan het bevoegd gezag om ervoor te zorgen dat de examencommissie onafhankelijk en deskundig functioneert. Het beginsel dat de examencommissie onafhankelijk moet zijn komt voort uit de Wet versterking besturing in het hoger onderwijs.7 Uit de memorie van toelichting bij die wet blijkt dat het bevoegd gezag geen richtlijnen of aanwijzingen kan geven over de beoordeling van examinandi.8 De leden van de examencommissie dienen tevens functioneel onafhankelijk te zijn van het bevoegd gezag. Dit betekent dat de leden niet in een hiërarchische relatie mogen staan tot andere actoren van de school, zoals het bestuur. Louw stelt dat onafhankelijkheid van de examencommissie door de wetgever verabsoluteerd is.9 Examencommissies blijven organen van de instelling waarvoor het instellingsbestuur de eindverantwoordelijkheid draagt. Door haar onafhankelijke positie zou de examencommissie zich kunnen onttrekken aan regels van de instelling en het bestaande systeem van kwaliteitszorg.
Deze zorg is mijns inziens onterecht. De leden van de examencommissie zijn functioneel onafhankelijk. Dit betekent dat in zoverre medewerkers van de school werkzaam zijn als lid van de examencommissie, het bevoegd gezag hen geen instructies mag geven. De regels van de instelling, zoals de OER of het Pta, blijven echter onverminderd van toepassing op de examencommissie en haar leden. Dit erkent ook de wetgever in de memorie van toelichting bij de Wet versterking besturing.10
Dat de leden van de examencommissie functioneel onafhankelijk zijn betekent in principe dat het bevoegd gezag hen niet tussentijds mag schorsen of ontslaan als lid van de examencommissie. Uit de memorie van toelichting bij de wet over versterking van de examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs blijkt evenwel dat de wetgever ervan uitgaat dat het bevoegd gezag bij wijze van ultimum remedium de benoeming van een lid van de examencommissie kan beëindigen.11 Ook in de memorie van toelichting bij de Wet versterking besturing wordt de mogelijkheid van ontslag van een lid van de examencommissie genoemd in het geval dit lid disfunctioneert.12 In de nota naar aanleiding van het verslag bij die wet stelt de wetgever verder dat een lid van de examencommissie geschorst kan worden als hij bijvoorbeeld zijn taken niet serieus neemt.13 De bevoegdheid om een lid in een dergelijk geval te ontslaan of te schorsen is in de verschillende onderwijswetten niet geregeld. Vermoedelijk neemt de wetgever aan dat uit het feit dat het bevoegd gezag een lid kan benoemen, impliciet voortvloeit dat hij dit lid zo nodig ook kan ontslaan.14 Er zou dan sprake zijn van een impliciete intrekkingsbevoegdheid van de beslissing tot benoeming.
Zoontjens en van Berkel menen dat ontslag of schorsing van leden van een examencommissie in het hoger onderwijs niet mogelijk is.15 De schorsings- en ontslagbevoegdheid is immers niet in de wet opgenomen en past niet in de structuur die is opgezet ten aanzien van de examencommissie. Het uitgangspunt is immers dat de examencommissie geen hiërarchische relatie heeft met het bevoegd gezag. Zij nemen aan dat de wetgever vermoedelijk beoogd heeft het bevoegd gezag de mogelijkheid van ontslag te onthouden. Dit is mijns inziens niet overtuigend. De wetgever heeft immers in onder meer de memorie van toelichting bij de Wet versterking besturing in het hoger onderwijs en later in de memorie van toelichting bij de wet over versterking van de examencommissies in het middelbaar beroepsonderwijs de mogelijkheid van ontslag expliciet als ultimum remedium benoemd. In uitzonderlijke gevallen, waarbij het betreffende lid de kwaliteit van de examens in gevaar brengt, kan de benoeming van dit lid mijns inziens dan ook worden ingetrokken. Gezien de onafhankelijke positie van de examencommissie en het ontbreken van een hiërarchische relatie tussen het bevoegd gezag en de examencommissie, was het evenwel beter geweest om een ontslagbevoegdheid expliciet en met de benodigde randvoorwaarden in de wet op te nemen.
Naast onafhankelijk dient de examencommissie ook deskundig te zijn. Om dit te borgen is ten behoeve van het voortgezet onderwijs geregeld dat in de examencommissie leden zitting nemen die deskundig zijn op het gebied van de betreffende schoolsoort, regelgeving over examinering in het voortgezet onderwijs en kwaliteit van examinering.16 In het middelbaar beroeps- en hoger onderwijs moet in de examencommissie ten minste één docent van de opleiding en iemand van buiten de opleiding zitting nemen, in het middelbaar beroepsonderwijs moet daarnaast vanuit de beroepspraktijk één lid zitting nemen.17 Zij dienen allen deskundig te zijn op het terrein van de opleiding.