RvdW 2026/431:Economische zaak. Opzettelijk doden van damhert, art. 3.10 lid 1 sub a Wet natuurbescherming (oud). Heeft hof verweer dat verdachte toestemming had tot plegen van dit feit kunnen verwerpen? Hof heeft vastgesteld dat aan grondgebruikers in provincie Zeeland, onder wie A, ten behoeve van bestrijding van schadeveroorzakende dieren een vrijstelling is verleend van verbod om damherten opzettelijk te doden. A’s perceel was gelegen in gebied waarvoor die vrijstelling gold. A heeft geen schriftelijke en gedagtekende toestemming verleend aan verdachte of aan Wildbeheereenheid (vereniging waarvan verdachte lid was) om i.h.k.v. schadebestrijding damherten te doden op perceel dat bij hem in gebruik was. Verdediging heeft aangevoerd dat A aan B (die ook lid was van Wildbeheereenheid) toestemming heeft verleend om damherten te doden op zijn grond en dat die toestemming via vereniging werd ‘doorgegeven’ aan alle leden, dus ook aan verdachte. ’s Hofs oordeel daarover houdt in dat wet niet voorziet in mogelijkheid dat door grondgebruiker o.g.v. art. 3.15 lid 7 Wnb (oud) verleende toestemming door degene aan wie die toestemming is verleend, aan ander wordt doorgegeven, zonder dat grondgebruiker daarmee heeft ingestemd. Op dit oordeel gebaseerde verwerping van verweer, getuigt in licht van art. 3.15 lid 7 Wnb (oud) niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.