Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/6.3.4.4
6.3.4.4 Als niet een grove wanverhouding de grens is, wat dan wel?
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS375101:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 4.2 en 5.3.2. Vgl. Barendrecht 2000, p. 22-24. Ook Hondius suggereert dat een economische analyse van het remedierecht aanleiding kan geven tot een proportionaliteitstoets bij nakoming, zie Hondius 2007, p. 336. Van Wijck 2007, p. 332, pleit voor een clausulering van het recht op nakoming indien de kosten die de schuldenaar moet maken hoger zijn dan de waarde die de schuldeiser aan de prestatie hecht
Craswell 1988, p. 637.
Vgl. Huber & Faust 2002, hfdst. 2, nr. 68; en Visscher 2007, 390.
Kritisch over vage grenzen bij nakoming is ook Picker 2003, p. 1037. Picker is echter evenmin positief over scherpe grenzen gebaseerd op willekeurig gekozen percentages.
Barendrecht 1992, p. 156.
Smits 1995, p. 64-66; Hesselink 1993, p. 726-729; en Snijders 1993, p. 1151, menen terecht dat bij rechtsnormen van falsificatie nauwelijks sprake kan zijn, omdat de oude norm als gevolg van rechtsvorming niet geheel zal vervallen, maar zijn toepassing zal behouden. Een voordeel van scherpere normen is echter wel dat zij, in tegenstelling tot open normen, de rechtsverfijning in de hand werken, omdat op scherpe normen uitzonderingen kunnen ontstaan en op die uitzonderingen eveneens uitzonderingen, etc. Hiermee is niet gezegd dat open normen niet ook als basis voor rechtsontwikkeling kunnen dienen, te denken valt bijv. aan de `Fallgruppen' die ter invulling van de open norm van de Duitse variant van de redelijkheid en billijkheid (§ 242) zijn ontstaan.
Staudinger/Schiemann 2005, § 251, nr. 16.
Staudinger/Schiemann 2005, § 251, nr. 22 e.v.
Naar Nederlands recht kan de toewijzing van schadevergoeding in andere vorm dan geld gerechtvaardigd zijn wanneer de kosten van deze vorm van schadevergoeding hoger zijn dan de vervangingswaarde van het beschadigde rechtsobject. Te denken valt aan de reparatie van zaken met een grote affectieve waarde, zie Deurvorst (Schadevergoeding), art. 6:103, aant. 7; en Spier 1992, nr. 21.
BGH 15 oktober 1991, BGHZ 115, p. 371 en 374.
BGH 15 oktober 1991, BGHZ 115, p. 380.
BGH 8 december 1998, NJW 1999, p. 501.
BGH 15 februari 2005, MDR 2005, p. 749.
BGH 17 oktober 1991, BGHZ 115, p. 382. Zie ook Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 89.
Huber 2007, p. 1626.
BGH 13 november 2007, NJW2008, p. 437-439; en BGH 27 november 2007, NJW2008, p. 439. Zie ook OLG Celle 22 januari 2008, NJIV 2008, p. 928.
Wittschier 2008, p. 899.
Voor het algemene contractenrecht zie bijv. Huber & Faust 2002, hfdst. 2, nr. 68 e.v.; en Fehre 2005, p. 50-51. Voor koop, zie bijv. Bitter & Meidt 2001, p. 2121; Huber 2002, p. 1008; Reinicke & Tiedtke 2004, nr. 448-452, p. 174-175; en Donou 2006, p. 119-121. Bij aanneming van werk, zie Müko/Busche 2005, § 635, nr. 38.
Ook van 130% gaat uit Donou 2006, p. 119-121.
Vgl. Kirsten 2005, p. 71. Het gaat bij de 130%-richtlijn om de vraag hoe het geobjectiveerde schuldeisersbelang zich op het moment van beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering tot nakoming verhoudt tot de kosten van nakoming (absolute benaderingswijze), niet van belang is hoe deze grootheden ten opzichte van elkaar zijn veranderd (relatieve benaderingswijze). Stel, schuldeiser X heeft een nakomingsbelang van € 1000 en de nakomingskosten zijn voor schuldenaar Y € 400. Ten gevolge van een verhindering in de nakoming stijgen de nakomingskosten tot € 800. Ter bepaling van de grens van nakoming is slechts relevant of de nakomingskosten meer dan 130% van het schuldeisersbelang bedragen (€ 1300). Hierbij komt geen gewicht toe aan de vraag in hoeverre de verhindering in de nakoming de aanvankelijke verhouding tussen schuldeisersbelang en nakomingskosten heeft gewijzigd (van 4/10 naar 8/10), vgl. Huber & Faust 2002, hfdst. 2, nr. 43-44; en Helm 2005, p. 92-93.
Vgl. par. 6.2.
De in de vorige paragraaf gegeven interpretatie van het pacta sunt servandabeginsel biedt aanknopingspunten om een schuldenaar eerder van zijn nakomingsverplichting te ontslaan. Op grond van het pacta sunt servanda-beginsel dient het contractenrecht de ethische waarde van trouw aan het gegeven woord te onderstrepen. Een maatstaf die de schuldenaar pas bij een grove wanverhouding van zijn nakomingsplicht ontslaat, is hiervoor echter niet vereist. Veel rechtseconomische kritiek ten aanzien van het recht op nakoming is niet gericht op de ranking van nakoming als primaire remedie, maar op het risico dat een recht op nakoming de schuldeiser overcompenseert.1 Nakoming leidt tot inefficiënte overcompensatie, indien de nakomingskosten hoger zijn dan waarde van de prestatie voor de schuldeiser en als schadevergoeding de schuldeiser volledig compenseert.2 Door het bevrijdingspunt van de nakomingsverplichting voor de schuldenaar lager te leggen dan waar het thans ligt, wordt het risico op overcompensatie verminderd.3
De openheid van de huidige normen die de grenzen van het recht op nakoming markeren, wordt niet veroorzaakt doordat het bevrijdingspunt zo hoog ligt, maar doordat het bevrijdingspunt niet gedefinieerd is. Op de vraag wanneer in concreto het belang van de schuldenaar het belang van de schuldeiser overtreft, geven de geldende open normen geen eenduidig antwoord. Bij het formuleren van een redelijkheidgrens van het recht op nakoming is het aantrekkelijk om een formulering in vaagheden te zoeken.4 Met Barendrecht ben ik echter van mening dat het formuleren van scherpe normen ter vervanging van open normen één van de taken van de wetenschapper is.5 Een vage norm kan leiden tot denkluiheid, omdat de norm niet kan worden verfijnd.6 Wie kan het oneens zijn met de stelling dat voor de toepassing van de relatieve onmogelijkheid alle omstandigheden van het geval van belang zijn? Of dat een schuldeiser zijn recht op nakoming verliest, indien nakoming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, of disproportioneel is? Dat iedereen met deze uitspraken instemt, is niet een teken van de superioriteit van deze normen, maar van hun gebrek aan zeggingskracht. Voor de in dit hoofdstuk te ondernemen poging de door de redelijkheid getrokken grens van het recht op nakoming te concretiseren, is het derhalve van belang het bevrijdingspunt te preciseren.
Inspiratie voor de formulering van een concreet omslagpunt kan aan het Duitse schadevergoedingsrecht worden ontleend. Het Bundesgerichtshof hanteert een procentueel omslagpunt bij de schadebegroting van de door een aanrijding veroorzaakte autoschade. Het gaat om de situatie dat de schuldeiser vergoeding vordert van de herstelkosten van zijn auto, terwijl de schuldenaar slechts bereid is om schadevergoeding te betalen gebaseerd op de (lagere) vervangingswaarde van de beschadigde auto. Op grond van § 249 jo § 251 Abs. 1 heeft herstel, of vergoeding van de herstelkosten, voorrang boven compensatie gebaseerd op de vervangingswaarde van de auto.7 De vraag is wanneer de kosten van het herstel de vervangingskosten zodanig overstijgen, dat de rechter de schuldenaar tot vergoeding van de vervangingswaarde dient te veroordelen.8 In de jurisprudentie was van belang dat de schuldeiser gehecht was aan zijn auto en dus een sterke voorkeur had voor reparatie in plaats van vergoeding van de vervangingswaarde.9 Voor de begroting van het belang van de schuldeiser bij reparatie hanteert de Duitse rechter een abstracte schadeberekeningsmethode. Het Bundesgerichtshof gaf als richtlijn dat de schuldeiser recht heeft op vergoeding van de herstelkosten als zij lager zijn dan 130% van de vervangingswaarde:10
Vor allem ist zu berücksichtigen, daß die Reparatur des dem Geschädigten vertrauten Fahrzeugs sein Integritätsinteresse in stärkerem Maße zu befriedigen vermag als eine Ersatzbeschaffung. (…) Deshalb steht es mit dem Grundsätzen des Schadensrechts im Einklang, daß dem Geschädigten, der sich zu einer Reparatur entschließt und diese auch nachweislich durchführt, solche Kosten der Instandsetzung zuerkannt werden, die den Aufwand für eine Ersatzbeschaffung in Grenzen übersteigen. Das erscheint auch deshalb gerechtfertig[t], weil selbst bei voller Berücksichtigung des Vorteilsausgleich “neu für alt” insbesondere bei älteren Fahrzeugen die Reparatur einem Vergleich allein nach ihren Kosten mit denen einer Ersatzbeschaffung in aller Regel nicht standhalten würde. Was das Ausmaß dieses Toleranzbereichs betrifft, so hat es der erkennende Senat wiederholt gebilligt, daß Tatrichter in Ausübung ihres Ermessen nach § 287 Abs. 1 ZPO einen Zuchschlag von 30 % zugebilligt haben. (…). Bei der “Intergritätsspitze” von 30 % ist im übrigen stets zu beachten, daß es sich um keine starre Grenze, sondern um einen Richtwert handelt (...).
In een andere uitspraak overwoog het Bundesgerichtshof dat de marge van 30% bovenop de vervangingswaarde alleen geldt als de schuldeiser daadwerkelijk belang heeft bij reparatie:11
Denn nicht schon die Tatsache, daß ein beschädigte Kraftfahrzeug überhaupt repariert wird, macht die dadurch verursachte Kosten bis zu 30% über dem Wiederbeschaffungswert zu dem “erforderlichen” Betrag im Sinne von § 249 Satz 2 BGB; ein den Wiederbeschaffungswert übersteigender “Integritätszuschlag” steht dem Geschädigten vielmehr nur dann zu, wenn die von ihm veranlaßte Instandsetzung wirtschaftlich sinnvoll ist.
Het omslagpunt van 130% van de vervangingswaarde geldt niet alleen voor de immateriële waarde die particulieren aan hun auto toekennen, maar ook voor zakelijk gebruikte auto's:12
Das hierauf beruhende, schadensrechtlich besonders zu gewichtende Interesse des Geschädigten an einer Reparatur des ihm vertrauten Fahrzeugs besteht grundsätzlich auch bei einem gewerblich eingesetzten Kraftfahrzeug. (…) Deshalb kann ein grundsätzlich auch bei einem gewerblich genutzten Fahrzeug dem Integritätsinteresse des Eigentümmers, das ja das Nutzungs- und Funktionsinteresse einschließt, (…), ein hoher Stellenwert nicht abgesprochen werden. Auch bei einem solchen Eigentümer ist daher die “Opfergrenze” für eine aufgabe des Fahrzeugs in der Regel erst dann erreicht, wenn die Kosten der Reparatur den Wiederbeschaffungswert um mehr als 30% überschreiten.
Ook als de schuldeiser zelf de auto repareert, kan hij in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de reparatiekosten:13
Auch eine Eigenreparatur kann eine Abrechnung auf der Basis fiktiver Reparaturkosten bis zu 130% des Wiederbeschaffungswerts rechtfertigen, wenn der Geschädigte mit ihr sein Integritätsinteresse bekundet hat. Das aber ist nur dann der Fall, wenn er durch ein fachgerechte Reparatur zum Ausdruck bringt, dass er das Fahrzeug in einen Zustand wie vor dem Unfall versetzen will. Nur unter diesen Umständen hat der Schädiger Reparaturkostenersatz bis zur Grenze von 130% der Wiederbeschaffungswert zu leisten.
Indien de reparatie van de auto meer dan 130% van de vervangingswaarde kost, heeft de schuldeiser in beginsel geen recht op vergoeding van de reparatiekosten, maar kan hij de aansprakelijke partij slechts aanspreken voor de vergoeding van de vervangingswaarde van de auto. De marge van 30% bovenop de vervangingswaarde is gebaseerd op een voorondersteld schuldeisersbelang bij herstel van zijn auto.14 Het Bundesgerichtshof heeft dit procentuele omslagpunt gekozen om de rechtszekerheid te vergroten en procedures over de vraag naar de omvang van de schadevergoedingsplichtigheid van de schuldenaar te voorkomen. Christian Huber verwoordt de keuze van het Bundesgerichtshof als volgt:15
(...) worauf der Überhang von 30% zu beziehen ist (…), lässt sich rein pragmatisch erklären:
Der möglicherweise langwierige Streit um den Restwert soll nicht die Entscheidung, ob ein Fahrzeug auf Kosten der Ersatzpflichtigen repariert werden darf, belasten. Deshalb wird er ausgeklammert, womit der Gordische Knoten durchgeschlagen wurde.
Uit recente rechtspraak volgt, dat indien de schuldeiser de auto een half jaar na de reparatie blijft gebruiken, de gehechtheid van de schuldeiser aan de auto kan worden afgeleid.16 Wittschier vat de rechtspraak op dit punt samen:17
Der BGH [hat klargestellt], dass der Geschädigte, der Ersatz des Reparaturaufwands über dem Wiederbechaffungswert verlangt, sein für den Zuschlag von bis 30% ausschlaggebendes Integritätsinteresse regelmäßig dadurch hinreichend zum Ausdruck bringt, dass er das Fahrzeug nach vollständiger und Fachgerechter Reparatur für einen längeren Zeitraum nutzt, wobei im Regelfall hierfür ein Zeitraum von sechs Monaten anzunehmen ist, wenn nicht besondere Umstände eine andere Beurteilung rechtfertigen.
Ter concretisering van de redelijkheidsgrens bij het recht op nakoming hebben verschillende Duitse auteurs aansluiting gezocht bij deze jurisprudentie van het Bundesgerichtshof.18
Waarom heeft het Bundesgerichtshof een percentage gekozen als omslagpunt voor het recht op vergoeding van de herstelkosten? Alleen om de belangenafweging te concretiseren die voorheen gehuld ging in open normen.
Om de relatieve onmogelijkheid uit de open normen te trekken, verdient het voor het Nederlandse recht mijns inziens aanbeveling de grens van het recht op nakoming in een procentueel omslagpunt uit te drukken. Als percentage stel ik voor 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang.19 Indien de kosten van nakoming meer dan 130% van het geobjectiveerde schuldeisersbelang bedragen, dient een schuldenaar zich in beginsel met succes tegen een vordering tot nakoming te kunnen verweren. Deze richtlijn moet niet als een starre grens worden gezien, maar als een bewijsvermoeden om de in de open normen verzonken billijkheidsafweging rond de nakomingskosten te concretiseren.20
Het percentage van 130% onderstreept het primaat van nakoming, maar biedt een minder hoge bevrijdingsmaatstaf dan de extreme wanverhoudingen die de huidige normen vereisen.21