Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/5.6.1
5.6.1 De regeling
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686242:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De wettelijke regeling van het faillissementsakkoord is opgenomen in de artikelen 138-172a Fw.
Zie de artikelen 252-281 Fw.
329-332, 333a, 335 en 337-340 Fw.
Zie de artikelen 369-387 Fw, waarin de Wet homologatie onderhands akkoord (WHOA) is neergelegd. In het kader van de WHOA is er een besloten en een openbare akkoordprocedure (zie artikel 369 lid 6 Fw). Zo bezien kent de Faillissementswet strikt genomen vijf regelingen die betrekking op een akkoord.
Zie voor een systematische uiteenzetting van het akkoord: Soedira 2011 en Wessels VI 2020.
Vgl. Wessels VI 2020, p. 8 en Leuftink 1995, p. 255.
Zie Van der Feltz II 1994, p. 146: “…gelijkheid tusschen de schuldeischers, het doel èn van het faillissement èn van elk akkoord…”.
Vgl. artikel 145 Fw.
Uit artikel 143 Fw volgt dat schuldeisers met een voorrangsrecht van stemming zijn uitgesloten. In artikel 157 Fw wordt geregeld dat het akkoord voor deze schuldeisers niet verbindend is. Dat het akkoord evenmin van toepassing is op boedelschuldeisers blijkt uit artikel 163 Fw (“de kosten van het faillissement, moeten in handen van de curator worden gestort”). Dit volgt m.i. (ook) uit het feit dat het akkoord een overeenkomst is tussen de schuldenaar en zijn gezamenlijke schuldeisers. De boedelschuldeisers – die in een rechtsverhouding staan met de curator en niet met de schuldenaar – zijn dus geen partij bij deze overeenkomst.
Vgl. 163 Fw.
Vgl. Reumers 2020, onder 8.1.1, VI, p. 14, Soedira 2011, p. 43 e.v., Molengraaff 1936, p. 480 en Van der Feltz II 1994, p. 144 e.v. Zie voorts HR 18 mei 1990, NJ 1991/412 en Rb. Rotterdam 6 februari 2019, JOR 2017/117 onder 3.14: “Een akkoord dient te worden aangemerkt als een overeenkomst tussen de gefailleerde en zijn gezamenlijke schuldeisers en de homologatie daarvan als een bekrachtiging van die overeenkomst door de rechter.” De wetgever (Van der Feltz II 1994, pagina 145) beschouwt de gezamenlijke schuldeisers hierbij als een vereniging van personen: “Naast de vereeniging uit overeenkomst staat die uit de wet. Met eene zoodanige heeft men hier te doen. De gemeenschap van belangen, de noodzakelijkheid besluiten mogelijk te maken die alle schuldeischers binden, rechtvaardigen deze wijze van behandeling.”.
Vgl. Mennens 2020/343: “Het insolventieakkoord is een overeenkomst, maar één van geheel eigen aard.” Zie voorts Wibier 2012, p. 96: “Is een akkoord nu wel of geen overeenkomst? Ik denk dat dit uiteindelijk een redelijk zinloze vraag is. Een akkoord is een bijzondere, in de Faillissementswet geregelde figuur dat elementen in zich heeft van een overeenkomst (de schuldenaar biedt iets aan aan zijn schuldeisers, schuldeisers kunnen daarmee akkoord gaan) en elementen van een insolventieprocedure (via een akkoord is het mogelijk langs gerechtelijke weg van een deel van je schulden af te komen, ook ten opzichte van schuldeisers die niet willen meewerken aan een herstructurering”).
Zo kent een akkoord een eigen van het gewone recht afwijkende regeling voor de gevolgen van de niet-nakoming hiervan (zie nader hierover: Soedira 2011, p. 61-63 en vgl. de art. 165-172 Fw) en kan een akkoord bijvoorbeeld niet worden aangetast op grond van de in de artikelen 3:44 BW en 6:228 BW neergelegde wilsgebreken (zie nader hierover Soedira 2011, p. 55-60).
Op het individuele niveau van een schuldeiser hoeft dus niet te gelden dat een overeenkomst tot stand komt volgens de in artikel 6:217 BW neergelegde regel (te weten: een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en de aanvaarding daarvan). Indien een schuldeiser niet instemt met het voorstel van de schuldenaar kan hij (indien de meerderheid wel instemt en hierbij ook overigens wordt voldaan aan de in artikel 145 Fw gestelde eisen) namelijk toch gebonden zijn op de voet van artikel 157 Fw. Dit is dus een voorbeeld waaruit blijkt dat een regel uit het verbintenissenrecht opzij wordt gezet.
Zo is, blijkens artikel 157 Fw, een akkoord bijvoorbeeld pas verbindend voor alle concurrente schuldeisers nadat het door de rechter is bekrachtigd (hetgeen uitsluitend mogelijk is na een toetsing door de rechter aan de hand van specifiek in de Faillissementswet opgenomen homologatiecriteria).
Zekerheidsgerechtigden, boedelschuldeisers en schuldeisers met een recht van voorrang dienen in beginsel volledig te worden voldaan. Alhoewel de fiscus als preferente schuldeiser niet aan een akkoord is gebonden, is er wel beleid ontwikkeld waaronder de belastingdienst met gedeeltelijke betaling kan instemmen. Zie nader Wessels VI 2020/6043 met verdere vermelding van literatuur.
Het gaat derhalve om een uitzondering op de regel dat een faillissement is gericht op liquidatie.
Zie artikel 145 Fw. In afwijking van artikel 145 Fw kan de RC ook een akkoord vaststellen indien één van de twee in artikel 146 Fw omschreven situaties zich voordoet. Zie Rb. Den Haag 22 juni 2017, JOR 2017/279 voor een voorbeeld waarbij een verzoek ex artikel 146 Fw wordt afgewezen.
Zie artikel 138 Fw e.v. De Hoge Raad (HR 26 augustus 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0369, JOR 2003/211, (ICH/UPC), r.o. 3.3.2) heeft over het karakter van deze procedure geoordeeld, dat: “(i) de procedure over de homologatie van een akkoord niet moet worden gezien als een procedure op tegenspraak tussen partijen doch als een op een spoedige beslissing over het akkoord gerichte procedure, (ii) de rechter daarin naar eigen inzicht zijn goedkeuring van het akkoord verleent of weigert zonder daarbij in enig opzicht gebonden te zijn aan hetgeen door de bewindvoerder, de schuldeisers en de schuldenaar als hun standpunt naar voren is gebracht (HR 15 december 2000, nr. R00/116, NJ 2001, 262) en (iii) mitsdien ook niet de gewone regels van stelplicht en bewijslast van toepassing zijn.”
Zie 153 lid 2 Fw.
Zie artikel 161 Fw. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat
Zie artikel 165 Fw.
Zie artikel 167 Fw. Na heropening van het faillissement wordt de paritas creditorum overigens beschermd door artikel 171 Fw.
Te weten aan het slot van de verificatievergadering. Vgl. artikel 139 Fw: “wordt daarvoor in die vergadering na afloop der verificatie dadelijk geraadpleegd en beslist”. Zie voor een uitzonderingsituatie art. 141 Fw.
De Faillissementswet kent vier regelingen die betrekking hebben op een akkoord: het faillissementsakkoord,1 het surseanceakkoord,2 het WSNP-akkoord en3 het onderhandse akkoord.4 In het kader van de faillissementsprocedure kan uitsluitend een beroep worden gedaan op het faillissementsakkoord. In het vervolg wordt dan ook uitsluitend aan deze regeling aandacht besteed.
Het faillissementsakkoord is een wettelijk saneringsinstrument dat in 1893 door de wetgever in de Faillissementswet is opgenomen.5 Het doel van het faillissementsakkoord is het voorkomen van gerechtelijke vereffening.6 Dit doel staat haaks op het hoofddoel van een faillissement om het vermogen van de schuldenaar te liquideren teneinde de opbrengst te verdelen onder de schuldeisers. Volgens de wetgever is intussen gelijkheid tussen de schuldeisers een belangrijke leidende gedachte bij zowel het faillissement als het akkoord.7
Het akkoord heeft alleen betrekking op concurrente schuldeisers.8 Boedelschuldeisers, separatisten en preferente schuldeisers blijven buiten het akkoord.9 Zij moeten dan ook in beginsel volledige betaling van hun vorderingen ontvangen.10
Het akkoord kan worden gekwalificeerd als een (meerpartijen)overeenkomst tussen de gefailleerde en zijn gezamenlijke schuldeisers,11 zij het dat benadrukt moet worden dat het gaat om een overeenkomst sui generis.12 Dat er sprake is van een overeenkomst met een geheel eigen aard blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat sommige regels uit het verbintenissenrecht hierop niet van toepassing zijn.13 Zo geldt bij een akkoord bijvoorbeeld dat de minderheid van schuldeisers kan worden gebonden door de meerderheid.14 Daarom wordt ook wel gesproken van een dwangakkoord. Daarnaast blijkt de eigen aard van de overeenkomst ook uit het feit dat diverse regels uit het faillissementsrecht van toepassing zijn op een akkoord (terwijl normaal gesproken dergelijke regels niet van toepassing zijn op een overeenkomst).15
De sanering van de schulden in het kader van een faillissementsakkoord vindt plaats door tegen finale kwijting concurrente16 schuldeisers (gedeeltelijk) te betalen.17 Hiertoe is vereist dat op de verificatievergadering een meerderheid van stemgerechtigde concurrente schuldeisers (die bovendien tezamen ten minste de helft van het bedrag van de door geen voorrang gedekte erkende en voorwaardelijk toegelaten schuldvorderingen vertegenwoordigen)18 het door de schuldenaar aangeboden akkoord aanneemt, en de rechtbank het akkoord heeft gehomologeerd (bekrachtigd).19 De rechtbank kan in het kader van de homologatie op een door haar vast te stellen grond, maar ook ambtshalve de homologatie van een akkoord weigeren.20 In drie nader in de wet omschreven gevallen moet de rechtbank de homologatie weigeren.21 Eén van deze gevallen is het verbod op homologatie van een akkoord indien het tot stand is gekomen door één of meer schuldeisers te begunstigen.22 Indien de rechtbank het akkoord heeft gehomologeerd, eindigt het faillissement vervolgens van rechtswege zodra het homologatievonnis in kracht van gewijsde is gegaan.23 Indien het akkoord niet wordt nagekomen door de schuldenaar, kan iedere schuldeiser ontbinding vorderen.24 Indien de vordering tot ontbinding van het akkoord wordt toegewezen, wordt de heropening van het faillissement bevolen.25 Tot slot wordt nog opgemerkt dat de stemming over een akkoord plaatsvindt terwijl de beheerfase wordt afgesloten, maar de verdelingsfase nog niet is aangebroken.26 Je zou dan ook kunnen zeggen dat een akkoord wordt gerealiseerd op het grensvlak tussen de beheerfase en de verdelingsfase.