Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/2.4.1:2.4.1 Inleiding
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/2.4.1
2.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233783:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf ben ik nader ingegaan op het ontstaan en de eerste toepassing van de Amerikaanse political question-doctrine. Zoals beschreven, wordt de zaak Marbury v. Madison uit 1803 aangemerkt als het vertrekpunt van deze doctrine. Daarin stelde het Hof voorop dat het de bevoegdheid en verplichting van de Amerikaanse federale rechter is ‘to say what the law is’ en trok het de bevoegdheid voor de rechter om wetten op hun grondwettigheid te toetsen uitdrukkelijk naar zich toe. Wel maakte het Hof daarbij een belangrijk voorbehoud, door te overwegen dat er ook geschillen kunnen zijn waarover de rechter zich niet behoort uit te spreken.
De hiervoor besproken rechtspraak illustreert dat dergelijke gevallen zich na Marbury v. Madison hebben voorgedaan. Daarbij gaat het onder meer om geschillen over beslissingen van de andere staatsmachten op het gebied van het buitenlands beleid, zoals beslissingen over de soevereiniteit van buitenlandse mogendheden, de vaststelling van landsgrenzen en de werking van verdragen, en om geschillen over de zogenoemde Guarantee Clause, de procedure voor het wijzigen van de Amerikaanse Grondwet, de indeling van kiesdistricten in deelstaten en om de rechtspositie van native Americans. In deze paragraaf schets ik de eerste contouren van de political question-doctrine aan de hand van de hiervoor besproken rechtspraak.