Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/2.4.2:2.4.2 De klassieke en pragmatische doctrine
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/2.4.2
2.4.2 De klassieke en pragmatische doctrine
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233575:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een belangrijke vraag is welke factoren of criteria bepalend waren voor het oordeel van het Hooggerechtshof dat in de hiervoor besproken zaken een political question aanwezig was. De volgende, hiervoor aangehaalde, overweging van het Hof uit Marbury v. Madison kan hierbij als vertrekpunt worden genomen:
‘The province of the Court is solely to decide on the rights of individuals, not to inquire how the Executive or Executive officers perform duties in which they have a discretion. Questions, in their nature political or which are, by the Constitution and laws, submitted to the Executive, can never be made in this Court.’1
Deze overweging doet vermoeden dat van een political question sprake is bij geschillen waarin vragen of beslissingen van de andere staatsmachten aan de orde zijn die zich naar hun aard niet lenen voor een inhoudelijke beoordeling door de rechter, dan wel die moeten worden geacht door de Amerikaanse Grondwet aan de andere staatsmachten te zijn voorbehouden.
In de literatuur wordt hierbij een onderscheid gemaakt tussen een klassieke en een pragmatische variant van de political question-doctrine.2 Volgens de klassieke variant is van een political question sprake bij geschillen die grondwettelijk moeten worden geacht aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen. De rechter ‘mag’ zich in dat geval niet inhoudelijk uitspreken. Bij de pragmatische variant zijn de aard van het voorliggende geschil en andere factoren doorslaggevend.3 Ook bij het ontbreken van een geschil dat moet worden geacht grondwettelijk gezien aan de andere staatsmachten te zijn opgedragen, kan volgens deze variant een political question aan de orde zijn, wanneer een inhoudelijke beoordeling om andere, meer pragmatische, redenen onwenselijk is. In dat geval geldt dat de rechter een inhoudelijk oordeel ‘beter niet’ kan geven, ook al is hij daartoe op zichzelf in staat.