Zoeken naar zekerheid
Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.3:6.3 Risicogroepen en wetsbare minderheidsgroepen
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.3
6.3 Risicogroepen en wetsbare minderheidsgroepen
Documentgegevens:
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180081:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In deze paragraaf beantwoord ik de vraag hoe medewerkers van de IND vaststellen of een asielzoeker een risico loopt bij terugkeer omdat hij behoort tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Zoals ik in hoofdstuk 4 heb beschreven beslist de IND over de beschermingsbehoefte van de asielzoeker door te onderzoeken of de geloofwaardig bevonden verklaringen zwaarwegend genoeg zijn voor vergunningverlening. In de vorige paragraaf stond de beoordeling van de geloofwaardigheid centraal. In deze paragraaf ga ik vooral, maar niet uitsluitend, in op de beoordeling van de zwaarwegendheid. Bij deze beoordeling moet de beslismedewerker een risico-inschatting maken van wat de asielzoeker bij terugkeer zal overkomen. Als dat risico ernstig genoeg is, wordt een asielvergunning verleend. Deze risico-inschatting bestaat volgens Werkinstructie 2014/10 van de IND uit twee onderdelen:
Uit de door de vreemdeling gestelde, toekomstige gebeurtenissen die zich met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zullen voordoen bij terugkeer naar het land van herkomst.
Daarnaast kan een risico-inschatting bestaan uit datgene wat de overheid ambtshalve aanneemt wat de vreemdeling kan overkomen bij terugkeer naar zijn land van herkomst.
Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat het in eerste instantie aan de asielzoeker is om te onderbouwen waarvoor hij vreest bij terugkeer en over de waarschijnlijkheid dat die vrees bewaarheid wordt, maar dat daarvoor een relatief lage bewijsstandaard geldt. Het risico moet met een redelijke mate van waarschijnlijkheid aannemelijk worden gemaakt. Op grond van de werkinstructie moet daarbij ook rekening worden gehouden met de vragen of:
De asielzoeker in het verleden is blootgesteld aan vervolging of een behandeling zoals bedoeld in artikel 3 EVRM.
Het tijdsverloop tussen de gebeurtenissen die aanleiding vormden voor vertrek en het daadwerkelijke vertrek.
Actor van vervolging op de hoogte kan zijn of geraken van de omstandigheden waarop de asielzoeker zich beroept.
Daarnaast kan een risico-inschatting berusten op ambtshalve beschikbare informatie. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij het beleid ten aanzien van risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen. Ambtshalve is dan reeds aangenomen dat leden van die groepen een verhoogd risico lopen.
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is bevoegd om groepen aan te wijzen als risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep. Als de IND het geloofwaardig vindt dat een asielzoeker behoort tot een aangewezen risicogroep kan hij al met geringe indicaties aannemelijk maken een risico te lopen op vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij dus bescherming als vluchteling nodig heeft. Kwetsbare minderheidsgroepen kunnen met beperkte individuele indicaties aannemelijk maken dat zij bij terugkeer een risico lopen een behandeling die strijdig is met artikel 3 EVRM en zich dus kwalificeren voor subsidiaire bescherming. De bewijslast is voor deze groepen dus lager dan voor andere asielzoekers.
Er zijn geen duidelijke criteria op basis waarvan de staatssecretaris beslist welke groepen als risico- of kwetsbare minderheidsgroep worden aangewezen. In de Vc staat over risicogroepen dat de staatssecretaris een bevolkingsgroep als risicogroep kan aanwijzen als blijkt dat vervolging van vreemdelingen behorend tot deze bevolkingsgroep in het land van herkomst voorkomt.1 Het gaat daarbij niet om systematische vormen van vervolging.2 De vreemdeling die behoort tot een risicogroep kan als er sprake is van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen met geringe indicaties aannemelijk maken dat zijn problemen die verband houden met één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste blijft, zo staat in de Vc, dus van toepassing op de vreemdeling die behoort tot een risicogroep.
Bij de vraag of een bevolkingsgroep door de staatssecretaris wordt aangemerkt als kwetsbare minderheid worden op grond van de Vc in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen:
de vraag of er sprake is van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen in het land of in een bepaald gebied van dit land, zoals moord, verkrachting en mishandeling;
de mate waarin de vreemdeling, die behoort tot de bevolkingsgroep, effectieve bescherming kan inroepen tegen dreigend geweld of mensenrechtenschendingen.
de mate waarin de vreemdeling, die behoort tot de bevolkingsgroep, zich kan onttrekken aan dreigend geweld of mensenrechtenschendingen door zich elders te vestigen.3
Het individualiseringsvereiste beperkt zich in deze gevallen niet tot wat de vreemdeling persoonlijk heeft ondervonden. De IND weegt op basis van de verklaringen van de vreemdeling mee wat personen die behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep, in de naaste omgeving van de vreemdeling aan mensenrechtenschendingen hebben ondervonden. De vreemdeling hoeft in dit geval niet aannemelijk te maken dat de mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de kwetsbare minderheidsgroep. Deze mensenrechtenschendingen kunnen ook hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst, nadat de vreemdeling al uit het land was vertrokken.
De IND verleent geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 eerste lid, aanhef en onder b, Vw aan de vreemdeling die behoort tot een kwetsbare minderheid, als in ieder geval:
sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de mensenrechtenschendingen en het vertrek van de vreemdeling uit het land van herkomst;
de vreemdeling gedurende de periode van aanzienlijk tijdsverloop geen nieuwe problemen heeft ondervonden.4
Het blijft volgens de IND aan de asielzoeker om (beperkte) indicaties aannemelijk te maken. Wel betrekt de IND ambtshalve bekende informatie zoals het Algemeen Ambtsbericht van Buitenlandse zaken. Maar, zo is opgenomen in IND werkinstructie 2013/13, de verantwoordelijkheid van de IND strekt niet zover dat informatie uit zaken van andere personen uit hetzelfde gebied actief bij de beoordeling moet worden betrokken. De stelplicht van de asielzoeker houdt volgens deze werkinstructie in dat het aan de asielzoeker is om alle relevante feiten voor zijn aanvraag aan te voeren en aannemelijk te maken. In de volgende paragrafen beschrijf ik hoe IND-medewerkers in de praktijk handelen om dergelijke feiten vast te stellen.
6.3.1 Wat vinden medewerkers van de IND van het vaststellen van het behoren tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep?6.3.2 Hoe zeggen IND-medewerkers vast te stellen of iemand vanwege het behoren tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep een risico loopt bij terugkeer?6.3.3 De motivering van de vaststelling van het behoren tot een risicogroep of kwetsbare minderheidsgroep6.3.4 Tussenconclusie