Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.1.1.4
4.3.1.1.4 Kwijtschelding
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS493014:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 6-II 2017/312-313, met aldaar aangehaalde literatuur. Aangenomen mag worden dat kwijtschelding onder de reikwijdte van art. 6:160 BW valt. In het oude Burgerlijk Wetboek was kwijtschelding separaat geregeld. Deze kon om niet of onder bezwarende titel geschieden. Het is gerechtvaardigd om onder kwijtschelding thans enkel de afstand om niet te verstaan.
Er is dan sprake van een gedeeltelijke afstand om niet.
Dit neemt niet weg dat een korting of een prijsvermindering niet 100% van de vordering kan bedragen. Hiervoor zal in de praktijk weer veelal de term ‘kwijtschelding’ worden gebruikt.
Wilsovereenstemming wordt bij een kwijtschelding overigens al gauw aangenomen (art. 6:160 lid 2 BW). Het kan echter voorkomen dat een schuldenaar niet wenst dat zijn schuld ook tenietgaat. Dit kan in de gevoelssfeer liggen, maar er kan ook een (juridisch) belang zijn bij instandhouding van de schuld (Asser/Sieburgh 6-II 2017/315).
Fiscale aspecten rondom het akkoord bespreek ik uitvoerig in paragraaf 6.3.3.1.
Dit verdient een kanttekening. In HR 31 januari 1992, V-N 1993/2685, 23 is beslist dat een faillissementsakkoord, waarin partijen over en weer finale kwijting verlenen (paragraaf 4.3.1.1.9), geen kwijtschelding van de restschuld tot gevolg heeft. In plaats daarvan – en dit wordt in de civiele literatuur tot uitgangspunt genomen (Soedira 2011, p. 195-198) – moet een in het akkoord opgenomen kwijting worden opgevat als een verklaring dat het recht om de voldoening van de restantvordering af te dwingen wordt prijsgegeven en dat de restantvordering als (niet afdwingbare) natuurlijke verbintenis (art. 6:3 BW) blijft voorbestaan (r.o. 3.3-3.4). Let wel: deze lezing geldt niet zonder meer voor het akkoord buiten faillissement of surseance. De vraag kan worden opgeworpen of partijen in een faillissements- of surseanceakkoord anders (lees: een partiele kwijtschelding) kunnen overeenkomen. Gelet op de algemene contractsvrijheid zou ik menen van wel. Echter: ook wanneer de restantvordering als natuurlijke verbintenis zou blijven voortbestaan, zou art. 29 lid 1 Wet OB 1968 toepassing moeten vinden, weliswaar mogelijk niet op de grond van prijsvermindering, maar op de grond van niet-betaling.
Vgl. HR 24 augustus 1999, BNB 1999/393 en HR 29 maart 1995, BNB 1996/244.
Zie nader Van Oers 2007a, p. 21-28.
De Hoge Raad voegt hier nog aan toe dat het prijsgeven van een vordering niet hoeft plaats te vinden door middel van (een aan de wettelijke vereisten compliante) (credit)factuur. Deze overweging mocht belanghebbende overigens niet baten nu hij het verzoek om teruggaaf over het verkeerde tijdvak had gedaan.
Hof Arnhem 15 december 2005, V-N 2006/17.4.7.
Eenzelfde standpunt lijkt te worden gehuldigd in Rechtbank Den Haag 30 augustus 2012, V-N 60.23.6, r.o. 9 (waarin wordt gesproken over een ‘onzakelijke kwijtschelding’). Dat een prijsvermindering met het oog op de (niet-)betaling niet kan leiden tot teruggaaf van btw volgt ook niet uit het door het hof geciteerd arrest van de Hoge Raad, waarin het enkel de vraag betrof of een bepaalde korting moest worden aangemerkt als een prijsvermindering in de zin van art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017).
In dat geval moet wel steeds worden bepaald welke van de twee categorieën aanleiding geeft tot vermindering van de vergoeding. Zie ook het hierna in paragraaf 4.3.1.1.10 te bespreken arrest HR 24 augustus 1999, BNB 1993/393.
Paragraaf 4.2.1. Zie ook memorie van toelichting bij art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) (Kamerstukken II 1952/53, 2602, nr. 3, p. 37-38), waarin werd overwogen dat ‘de reden waarom het in rekening gebrachte bedrag niet (...) wordt ontvangen [hetgeen mijns inziens ziet op alle categorieën; BH] dan wel gedeeltelijk wordt terugbetaald [dit lijkt enkel te zien op de prijsvermindering; BH], kan (...) zijn gelegen in het feit dat de ondernemer op de vergoeding alsnog een vermindering verleend (...).’
HvJ 27 april 1999, nr. C-48/97, V-N 1999/27.15 (Kuwait Petroleum). In dezelfde zin: A-G Overgaauw (pt. 3.14) bij HR 8 februari 2008, BNB 2008/126.
Dit arrest wordt behandeld in paragraaf 4.3.1.1.10.
Temeer nu het hof (nr. BK-02/04107) in deze zaak wel had aangenomen dat de vermindering tot nihil als een prijsvermindering ex art. 29 lid 1 onderdeel b Wet OB 1968 (tot 2017) moest worden aangemerkt.
Civielrechtelijk kader
Art. 6:160 lid 1 BW bepaalt dat een verbintenis tenietgaat door een overeenkomst van de schuldeiser met de schuldenaar, waarbij de schuldeiser van zijn vorderingsrecht afstand doet. Door de afstand gaan het vorderingsrecht (met al zijn nevenrechten) en de corresponderende schuld teniet.1 Een afstand kan om niet of tegen een tegenprestatie geschieden. Wanneer de tegenprestatie bestaat uit een nieuwe verbintenis, die voor de tenietgedane in de plaats treedt, wordt ook wel van schuldvernieuwing gesproken (daarover meer in paragraaf 4.3.1.1.7). Afstand om niet wordt ook wel kwijtschelding2 of ‘het prijsgeven van een vordering’ genoemd. Wanneer de kwijtschelding betrekking heeft op een deel van het vorderingsrecht3 wordt ook wel gesproken van een ‘korting’ of een ‘prijsvermindering’.4 Bovenstaande gedaanten van de afstand laten zich als volgt samenvatten:
Bedacht moet worden dat het doen van afstand een meerzijdige rechtshandeling is en derhalve wilsovereenstemming vereist.5 Afstand (en dus het verlenen van een prijsvermindering) kan dus niet eenzijdig geschieden. Dat afstand een meerzijdige rechtshandeling betreft, volgt ook uit de mogelijkheid dat het initiatief tot afstand ook bij de schuldenaar kan liggen. Ik denk in het bijzonder aan het zogenoemde schuldeisersakkoord, dat in en buiten faillissement en surseance door een schuldenaar aan zijn schuldeisers kan worden aangeboden.6 Een percentageakkoord komt in de praktijk het meest voor. Schuldeisers nemen dan genoegen met een gedeeltelijke, vaak procentuele, voldoening van hun vordering en verlenen de schuldenaar in de regel (gedeeltelijke) kwijtschelding van hun vordering tegen finale kwijting7.8 Een akkoord kan echter ook een andere vorm aannemen. Andere akkoordvarianten zijn bijvoorbeeld de omzetting van vorderingen in een achtergestelde of converteerbare geldlening, omzetting in aandelenkapitaal (dit zijn vormen van schuldvernieuwing – zie paragraaf 4.3.1.1.7) en de overdracht van vorderingen (ook wel overnameconstructie genaamd).9
Fiscaalrechtelijk kader
Het doen van afstand om niet heeft tot gevolg dat de schuldeiser zijn vordering niet geheel zal ontvangen. Toepassing van art. 29 Wet OB 1968 ligt dan ook voor de hand. Dat het prijsgeven van een vordering inderdaad leidt tot een recht op teruggaaf ex art. 29 Wet OB 1968 volgt uit HR 30 maart 2007, BNB 2007/186. In deze zaak had belanghebbende een vordering op zijn afnemer prijsgegeven door eerder uitgereikte factureren (voor verrichte diensten) te crediteren. De Hoge Raad overwoog:
“3.4. Artikel 29, lid 1, aanhef en letter a, van de Wet bepaalt dat op verzoek teruggaaf van omzetbelasting wordt verleend, voor zover de vergoeding niet is en niet zal worden ontvangen. In 's Hofs oordeel ligt besloten het oordeel dat belanghebbende op een tijdstip voorafgaande aan het onderwerpelijke tijdvak de vorderingen (...) heeft prijsgegeven. In het geval een vordering wordt prijsgegeven, ontstaat het recht op teruggaaf in het tijdvak waarin het prijsgeven plaatsvindt. (...).”10
Opvallend in deze zaak is een overweging van Hof Arnhem,11 waarbij mij niet duidelijk wordt of de Hoge Raad het hof hierin volgt. Volgens het hof moet namelijk een onderscheid worden gemaakt tussen (i) een prijsvermindering die betrekking heeft op een verrichte levering of dienst en (ii) een prijsvermindering die wordt verleend met het oog op de (niet-)betaling van de in rekening gebrachte vergoeding teneinde een teruggaaf van btw te verkrijgen. Het hof is bijzonder stellig (cursivering van mijn hand):
“4.8. Het Hof is voorts van oordeel dat het niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat de prijsvermindering als bedoeld in artikel 11, C, eerste lid, van de Zesde richtlijn betrekking moet hebben op de door de presterende ondernemer verrichte levering of dienst (vgl. in nagenoeg dezelfde zin de beslissing van de Hoge Raad in het arrest van 12 maart 2004, nr. 38.910, BNB 2004/215) en dat daarmee niet wordt bedoeld de prijsvermindering die wordt verleend met het oog op de (niet-)betaling van de in rekening gebrachte vergoeding of het verkrijgen van een teruggaaf van reeds op aangifte voldane omzetbelasting. Uit hetgeen belanghebbende naar voren heeft gebracht (...) leidt het Hof af dat belanghebbende met de prijsvermindering laatstbedoeld oogmerk had. Ook daarom moet het subsidiaire standpunt worden afgewezen.”
Dit standpunt wordt niet nader gemotiveerd.12
Ik kan mij hier niet in vinden. Naar mijn idee is het motief waaronder een belastingplichtige een vordering prijsgeeft niet relevant voor de vraag of sprake is van een prijsvermindering. Het lijkt mij dat een prijsvermindering ook kan plaatsvinden met het oog op niet-betaling of vermeende oninbaarheid van een vordering, zoals bij een crediteurenakkoord in de regel het geval is.13 Ook het Unierecht bevat geen aanwijzingen dat het motief waaronder een prijsvermindering plaatsvindt relevant is voor de betekenis van bedoeld begrip en de invulling daarvan onder art. 90 lid 1 Btw-richtlijn. Zoals ik in paragraaf 3.3 reeds uitvoerig heb betoogd, moet het onderscheid tussen beide categorieën worden gevonden in het feit dat de schuldeiser bij ‘niet-betaling’ zijn vordering volledig blijft behouden en bij een ‘prijsvermindering’ de vordering (gedeeltelijk) tenietgaat. Steun voor bovenbedoelde opvatting kan overigens ook worden gevonden in de totstandkomingsgeschiedenis bij art. 29 Wet OB 1968. In de toelichting op het Besluit op de Omzetbelasting 1940 werd opgemerkt dat een prijsvermindering zowel op zakelijke (kortingen, omzetpremies en dergelijke) als op persoonlijke (insolvabiliteit van de koper) gronden kan berusten.14
In dit verband zou wellicht kunnen worden betoogd dat het verlenen van een prijsvermindering tot nihil in btw-technische zin niet tot de mogelijkheden behoort. Hierbij kan worden verwezen naar HvJ Kuwait Petroleum.15 Zoals ik in paragraaf 3.3.3.1.1 betoogd heb, gaat deze vlieger mijns inziens echter enkel op daar waar het prijsverminderingen betreft die op het moment van het verrichten van de prestatie zijn of worden verleend (en derhalve direct van invloed zijn op de maatstaf van heffing). Dit geldt niet voor prijsverminderingen nadat de prestatie is verricht (zoals bedoeld in art. 90 lid 1 Btw-richtlijn). Dat een (prijs)vermindering van de vergoeding tot nihil toepassing van art. 29 Wet OB 1968 niet in de weg staat, kan ook worden opgemaakt uit HR 8 februari 2008, BNB 2008/126.16 Hoewel de feiten geen aanleiding gaven voor de conclusie dat een prijsvermindering tot nihil was beoogd en art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) derhalve niet van toepassing werd geacht, kan uit de bewoordingen van de Hoge Raad worden opgemaakt dat art. 29 Wet OB 1968 (tot 2017) wel toepassing had gevonden als een dergelijke prijsvermindering wel was beoogd.17