Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/7.3.5
7.3.5 Internationaal karakter
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713175:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Bauw 1994, p. 127, die het heeft over een multinational (met een eigen onderzoeksafdeling).
Zie bijvoorbeeld: De Jong 2016, p. 159.
HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782, NJ 2009/103, m.nt. I. Giesen (Eternit/Horsting).
Hof Arnhem 13 april 2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AO8064, NJ 2004/612, r.o. 4.7 (curs. TdW-vdL). Daarbij speelde volgens het hof ook een rol dat de directeur van Eternit aanwezig was geweest bij de beraadslaging van een belangrijke publicatie, waaruit bleek dat vrijkomende asbeststoffen mesothelioom kunnen veroorzaken. Zie ook Concl. A-G Verkade, ECLI:NL:PHR:2005:AT8782, onder 5.62.
HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782, NJ 2009/103, m.nt. I. Giesen (Eternit/Horsting), r.o. 3.3.
Het hof stoelde zijn motivering echter ook op de (subjectieve) bekendheid van de directeur met gevaar van vrijkomend asbest en wist zo de onrechtmatigheid en de toerekening in zijn oordeel te verweven. Zie hierover ook de annotatie van I. Giesen bij: HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782, NJ 2009/103 (Eternit/Horsting).
Vgl. Bauw 1994, p. 127.
Rb. Den Haag 26 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5337, JOR 2021/208, m.nt. S.J.M. Biesmans (Milieudefensie/Shell).
Een ‘enterprise’ wordt gedefinieerd als: “(a) a business, company, firm, venture, organisation, operation or undertaking that is private unless it can be shown that it does not carry on commercial or industrial activities, or (b) any non-private entity when and to the extent that it carries on commercial or industrial activities”. Spier 2020, p. 1.
‘Global enterprise’ is “an enterprise or a group of enterprises that belongs to the recent Forbes Global 2000 ranking of public companies before a new base period, or manufactures products or offers services that are, for a significant part, consumed in multiple Above Permissible Quantum countries. An enterprise in a Below Permissible Quantum country is not a global enterprise if the parent company is based in a Below Permissible Quantum country and if the turnover of the group of enterprises was less than US$ one billion annually over the past five years, or if the group of enterprises is exclusively or predominantly active in Below Permissible Quantum countries.” Spier 2020, p. 2.
Spier 2020, p. 180. Zie eerder al in gelijke zin: Human Rights Council, Report on the fourth session of the open-ended intergovernmental working group on transnational corporations and other business enterprises with respect to human rights, A/HRC/40/48.
Spier 2020, p. 181.
Ten vierde presenteert de literatuur het internationale karakter van de onderneming als onderscheidend kenmerk.1 Dit gezichtspunt wordt met name opgebracht in het kader van gevaarzetting en klimaataansprakelijkheid. Bij mijn weten heeft de literatuur of de rechtspraak dit gezichtspunt niet in het kader van financiële aansprakelijkheid of kwalitatieve aansprakelijkheid genoemd. De idee is dat van een internationaal opererend bedrijf een hoog kennisniveau mag worden verwacht.2 Aanknopingspunt hiervoor is Eternit/Horsting.3 In deze zaak stelde Horsting de producent Eternit aansprakelijk voor de bij haar ontstane ziekte mesothelioom, hetgeen veroorzaakt zou zijn doordat zij in aanraking was gekomen met asbest. Eternit had in 1971 asbestplaten ter beschikking gesteld, die de ouders van Horsting hadden gebruikt voor de bouw van een machineloods. Horsting zou aanwezig zijn geweest op het terrein toen de asbestplaten werden verspaand. De vraag was of Eternit had moeten waarschuwen voor het verspanen van de asbestplaten, omdat zij bekend was of had moeten zijn met de hieraan verbonden gezondheidsrisico’s. Het hof oordeelde “dat het bewuste gevaar aan Eternit, een internationaal opererend bedrijf, in 1970-1971 bekend was althans bekend had behoren te zijn.”4 De Hoge Raad ging mee met het oordeel van het Hof, en oordeelde als volgt:
“De onrechtmatigheid van het handelen van Eternit moet worden beoordeeld in het licht van de maatschappelijke opvattingen ten tijde van de aan Eternit verweten gedragingen of nalatigheden. Daarbij verdient opmerking dat vanaf het moment waarop binnen de maatschappelijke kring waartoe Eternit behoort, bekend moest worden geacht dat aan het werken met asbest gevaren voor de gezondheid zijn verbonden, een verhoogde zorgvuldigheidsnorm had te gelden met het oog op de belangen van diegenen die zich bevinden in de directe nabijheid van een plaats waar met asbest wordt gewerkt. (…) Zijn oordeel is ook niet onbegrijpelijk gemotiveerd, nu het in rov. 4.7 van zijn arrest (...) heeft vastgesteld dat Eternit een internationaal opererend bedrijf was en dat in 1970-1971 in elk geval onder deskundigen bekend was dat vrijkomend asbest mesothelioom zou kunnen veroorzaken.”5
In dit geval werd niet zomaar een maatmens geformuleerd, maar de maatmens van ‘een internationaal operend bedrijf’. Het kennisniveau van een dergelijke maatmens staat volgens de Hoge Raad gelijk aan het kennisniveau van een deskundige. Het hof had eerder al vastgesteld dat onder deskundigen vaststond dat vrijkomend asbest mesothelioom kon veroorzaken. Hiervoor was in beginsel geen objectivering van het object vereist.6
De gedachte achter dit gezichtspunt lijkt te zijn dat internationaal opererende bedrijven deskundiger zijn of wellicht makkelijker toegang hebben tot bepaalde informatie. De ratio is dus gelegen in nabijheid van de informatiebron voor de laedens.7 Zo werd Eternit uitgenodigd voor internationale congressen, waar tevens wetenschappers op dit specifieke gebied uitgenodigd waren.
Eenzelfde gedachte lijkt ten grondslag te liggen aan de vordering van Milieudefensie tegen Shell inzake het nemen van maatregelen tegen klimaatverandering.8 Opvallend is dat in het financieel aansprakelijkheidsrecht het ‘internationale karakter’ niet als gezichtspunt wordt genoemd in de literatuur en de jurisprudentie, terwijl daar op grote schaal sprake is van internationaal opererende instellingen.
Niet alleen voor het bepalen van het vereiste kennisniveau, maar ook voor het bepalen van het vereiste zorgniveau zou onderscheid gemaakt kunnen worden tussen nationale en internationale ondernemingen, zo volgt uit de literatuur. De opstellers van de Principles on Climate Obligations of Enterprises maken bijvoorbeeld onderscheid tussen ‘gewone’ enterprises9 en global enterprises.10 Die laatste hebben op grond van de Principles on Climate Obligations of Enterprises een grotere zorgplicht, omdat zij internationale actoren zijn en “thus generally emit larger quantities of GHGs e.g. due to transport if goods are manufactured by subsidiaries in developing countries and sold on the market of developed countries.”11 De gedachte is dat de internationale ondernemer meer invloed heeft op het risico (risicobeheersing). Daarnaast beweren de opstellers van de Principles dat internationale ondernemers betere mogelijkheden hebben om hun kosten te spreiden en dat zij over het algemeen meer winst maken.12
Mijns inziens vormt het internationale karakter van de onderneming geen overtuigend gezichtspunt (meer) bij het onderscheiden van verschillende maatmens-ondernemers. In de hedendaagse geglobaliseerde samenleving is informatie makkelijk online te verkrijgen en is deze informatie bovendien vaak open access. Voorheen was de situatie wellicht anders, toen vooral internationaal opererende bedrijven toegang hadden tot bepaalde databases, literatuur of (wetenschappelijke) bijeenkomsten. In dat tijdsgewricht moet ook het arrest Eternit/Horsting worden bezien. Daar komt nog bij dat het internationale karakter van het bedrijf niet heel richtinggevend is. Dit criterium zou immers eveneens die bedrijven omvatten die weliswaar werkzaam zijn in grensgebieden, maar niet beschikken over bijzondere expertise of kennis. Verder zie ik geen reden om aan te nemen dat internationale ondernemers meer mogelijkheden hebben tot risicobeheersing. Het is evenwel aannemelijk dat veel multinationale ondernemers inderdaad betere mogelijkheden hebben om de kosten te spreiden, maar het lijkt mij te ver gaan om aan te nemen dat dit alleen komt door het internationale karakter van de onderneming.