Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/7.3.2
7.3.2 Bedrijfstak
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713212:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Bauw 1994, p. 122, 126; Jansen 2006, p. 17-18.
HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5162, NJ 2003/549, m.nt. J.B.M. Vranken (Legionella); Hof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, JA 2008/2.
Hof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, JA 2008/2, r.o. 5.4.
Hof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, JA 2008/2, r.o. 5.6 (curs. TdW-vdL).
Hof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, JA 2008/2, r.o. 5.6.
Hof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, JA 2008/2, r.o. 6.9, 6.10, 6.18, 6.19.
Hof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, JA 2008/2, r.o. 6.9 en 6.10.
Hof Amsterdam 25 oktober 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BB6504, JA 2008/2, r.o. 6.7.
HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107, NJ 2017/363, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (SNS v. Stichting Overwaardeconstructie W&P).
HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1107, NJ 2017/363, m.nt. T.F.E. Tjong Tjin Tai (SNS v. Stichting Overwaardeconstructie W&P), r.o. 4.2.6.
F.T. Oldenhuis, annotatie bij: Hof Amsterdam 9 juni 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BI7389, JA 2009/126. Instemmend: Concl. J. Spier, punt 6.38.1, bij: HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis). Zie ook: Oldenhuis 2014, p. 343.
HvJ EG 29 mei 1997, C-300/95, ECLI:EU:C:1997:255 (Commissie/Verenigd Koninkrijk); Van Dam 2020/619, p. 254-255.
Sterk 1994, p. 112 en 197; Jansen 2006, p. 17.
HR 7 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6934, NJ 2006/244 (Rottende uien), r.o. 3.3, zie ook de conclusie van P-G Hartkamp bij dit arrest, nr. 19; HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1345, RvdW 2017/863 (JMV/Zürich); Zie ook: Concl. J. Spier, ECLI:NL:PHR:2001:AB1202, onder punt 4.74 en 4.76, bij: HR 20 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1202, NJ 2001/561 m.nt. C.J.H. Brunner; Concl. J. Spier, ECLI:NL:PHR:2010:BN6236, bij: HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2011/155, m.nt. T. Hartlief (Wilnis); Zie in het kader van werkgeversaansprakelijkheid ook: HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2720, NJ 1999/682 m.nt. J.B.M. Vranken (De Schelde/Wijkhuisen); HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2721, NJ 1999/683 m.nt. J.B.M. Vranken (De Schelde/Cijsouw) en HR 25 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1907, NJ 1993/686 m.nt. P.A. Stein (Cijsouw/De Schelde). Zie ook HR 17 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU6927, NJ 2007/285 m.nt. C.J.H. Brunner (Van Buuren/Heesbeen).
Van Dam 2020/206, p. 73-74. Zo ook: HR 6 april 1990, NJ 1990/573, m.nt. PAS (Janssen/Nefabas); HR 25 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1907, NJ 1993/686 m.nt. P.A. Stein (Cijsouw/De Schelde). Zie ook m.b.t. de aansprakelijkheid van de producent op grond van art. 6:162 BW: Hof Leeuwarden, 29 oktober 2003, ECLI:NL:GHLEE:2003:AN1393. Het ging hier weliswaar om de gemeente die als producent van sintels en slakken (gebruikt voor de wegenbouw) optrad. Het product in kwestie bleek zware metalen te bevatten, die terecht kwamen op het terrein van eiser, met schade tot gevolg. De gemeente beriep zich op het feit dat er geen specifieke normen golden en dat het gebruikelijk was in de praktijk van de wegenbouw. Het hof Leeuwarden ging daar niet in mee en oordeelde dat het product desalniettemin gebrekkig was.
Vgl. in het kader van de werkgeversaansprakelijkheid het arrest HR 6 april 1990, NJ 1990/573, m.nt. PAS (Janssen/Nefabas), r.o. 3.4: “Tenslotte zal het in beginsel op de weg van de werkgever liggen om aan te geven wat naar zijn mening in het relevante tijdvak in soortgelijke bedrijven als het zijne als norm voor de veiligheid gebruikelijk was, waarbij overigens aantekening verdient dat die enkele gebruikelijkheid nog niet meebrengt dat die norm ook als juist moet worden aanvaard voor de werkgevers die ermee bekend waren of hadden behoren te zijn dat die norm uit een oogpunt van veiligheid tekortschoot.”
Vgl. Van Dam 2020/206, p. 74.
Vgl. Du Perron 1999, p. 295, nr. 343.
Ten eerste is de bedrijfstak waarin de ondernemer opereert van betekenis voor het bepalen van het vereiste kennisniveau.1 Dit gezichtspunt volgt impliciet uit de literatuur en uit de rechtspraak van de Hoge Raad. Vooral in de gevaarzettingsjurisprudentie komt dit gezichtspunt terug. Een voorbeeld uit de gevaarzettingsrechtspraak vormt de zaak over de legionellaramp van 1999.2 Een groot aantal bezoekers van de Westfriese Flora was door verneveld water besmet geraakt met legionella afkomstig uit een tentoongestelde, besmette whirlpool. Aan het gevaar op legionella in whirlpools was aandacht besteed in een onderzoek van het RIVM uit 1982, een rapport van de Gezondheidsraad uit 1986 en in diverse vakliteratuur. Het hof moest zich (onder andere) buigen over de vraag of het (algemene) gevaar op legionella in whirlpools in februari 1999 bij de organisatie en de standhouders (bekend was of) bekend had behoren te zijn.3 Bij de beoordeling maakte het hof onderscheid tussen de beursorganisatie en de whirlpoolhandelaren. Ten aanzien van de eerste groep, overwoog het hof dat Flora niet behoorde “tot de kring die bekend was of had behoren te zijn met het gevaar dat is verbonden aan het gebruik van een vernevelaar en het tentoonstellen van een whirlpool”.4 Deze overweging is mogelijk het gevolg van de procesvoering van partijen, omdat het hof oordeelde dat onvoldoende was toegelicht dat Flora van bedoelde publicaties heeft kunnen of moeten kennisnemen.5 Dit lijkt te impliceren dat beursorganisaties niet in het algemeen over het kennisniveau van een wetenschapper hoeven te beschikken. Anders was dit echter ten aanzien van de whirlpoolhandelaren. Hun kennisniveau werd gemeten aan de hand van een zeer gespecialiseerde maatmens: een redelijk vakbekwaam en redelijk handelend handelaar in whirlpoolproducten. Een whirlpoolhandelaar werd geacht bekend te zijn met de gezondheidsgevaren verbonden aan bacteriegroei in whirlpools.6 Het hof verwierp daarmee verweerders stelling dat een groep van vakgenoten van whirlpoolhandelaars niet bestaat.
Om tot een groep van branchegenoten te behoren is een langlopende handelspraktijk niet vereist. De standhouder die voorafgaand aan de Flora nog weinig whirlpools had verkocht, werd eveneens langs deze meetlat gelegd:
“Vaststaat dat standhouder 2, nadat zij in de voorgaande jaren reeds een of meer whirlpools had verkocht, zich gedurende de 66e Westfriese Flora aan het consumentenpubliek heeft gepresenteerd als handelaar in whirlpools (en mogelijk aan dat publiek gedurende die beurs ook een of meer whirlpools heeft verkocht).”7
Profilering lijkt voor het hof dus een doorslaggevend element te zijn. Het object van de kennis van de whirlpoolhandelaren werd vastgesteld aan de hand van toentertijd bestaande handleidingen van whirlpoolhandelaren of -fabrikanten. Dergelijke handleidingen kunnen zeker van pas komen indien, aldus het hof, specifieke richtlijnen van brancheorganisaties ontbreken. Het hof overwoog:
“Naar het oordeel van het hof mag van een redelijk handelend en redelijk bekwaam handelaar in whirlpools ten minste worden verwacht dat hij op de hoogte is of behoort te zijn van de normale gevaren die zijn verbonden aan het gebruik van whirlpools en de daartegen door de particuliere gebruiker te nemen veiligheidsmaatregelen die zijn vermeld in informatie aan de gebruiker van whirlpools, waartoe in het bijzonder handleidingen voor het gebruik behoren. Een dergelijke handelaar is immers gehouden om die informatie aan potentiële gebruikers te verschaffen.”8
Niet alleen in het gevaarzettingsleerstuk, maar ook in gevallen van financiële aansprakelijkheid speelt de bedrijfstak – en meer specifiek het type dienstverlening – een rol bij het bepalen van het kennisniveau. Het gaat dan specifiek om het type dienstverlening dat de financiële onderneming verleent of het financiële product dat de financiële onderneming aanbiedt. Het onderscheid tussen deze typen financiële ondernemingen volgt uit de publiekrechtelijke regelgeving. Zo maakt de Wft een onderscheid tussen onder andere beleggingsondernemingen, kredietaanbieders, betaaldienstverleners en financiële dienstverleners. De kennis die van een financiële onderneming mag worden verwacht is afhankelijk van de ‘state of the industry’ van die betreffende beroepsgroep. Een voorbeeld vormt SNS/Stichting Gedupeerden overwaardeconstructie W&P.9 Het ging hier om de aansprakelijkheid van de kredietaanbieder voor mogelijke overkreditering in de periode 1999-2003. In die periode was er nog geen wettelijke regeling voor kredietaanbieders. De vraag was of banken in die periode al moesten nagaan of de (toekomstige) kredietnemer over voldoende financiële middelen beschikte. De Hoge Raad overwoog:
“Het moet voor banken ook in de periode 1999-2003 duidelijk zijn geweest dat consumenten door onverantwoorde kredietverstrekking in ernstige (financiële) problemen konden komen, ook in geval van hypothecair krediet.”10
Het is aannemelijk dat de bedrijfstak van de bedrijfsmatig gebruiker tevens van belang is voor de vaststelling van het bekendheidsvereiste, zoals dat geldt bij de kwalitatieve aansprakelijkheden voor gebrekkige zaken. Zo betoogde Oldenhuis in zijn annotatie bij de uitspraak van het hof in de Wilnis-zaak, dat het gegeven dat “in kringen van dijkbeheerders langdurige droogte niet als een gevaar voor de stabiliteit van het dijklichaam behoefde te worden beschouwd, […] van welhaast beslissende betekenis [is] voor het antwoord op de vraag of de veendijk voldeed aan de eisen die men in de gegeven omstandigheden aan die dijk mocht stellen.”11 Dit is anders in het productaansprakelijkheidsrecht. Voor een succesvol beroep op het ontwikkelingsrisicoverweer is vereist dat het risico op grond van het meest geavanceerde niveau in de wetenschap onmogelijk was te ontdekken. De omstandigheid dat het risico in de betreffende bedrijfstak niet bekend was, is aldus niet voldoende.12
Het voorgaande is nauw verwant aan het ‘state of the industry’-verweer. Dit verweer houdt in dat de laedens alle maatregelen heeft genomen die gebruikelijk zijn in de betreffende bedrijfstak en dat er daarom geen reden is om extra voorzorgsmaatregelen te nemen.13 In de rechtspraak14 over het gevaarzettingsleerstuk is ‘de gebruikelijkheid van voorzorgsmaatregelen’ als (extra) omstandigheid naar voren gebracht. Uit de gebruikelijkheid van een bepaalde maatregel binnen de bedrijfstak kan worden opgemaakt dat een bedrijf behorende tot die bedrijfstak in ieder geval die betreffende maatregel moet nemen. De gebruikelijkheid van een maatregel vormt een indicatie voor de minimale mate van zorg. Dit wil echter niet zeggen dat er geen extra maatregelen hoeven te worden genomen. Een bepaalde werkwijze kan weliswaar gebruikelijk zijn, maar hoeft nog niet maatschappelijk betamelijk te zijn. Met andere woorden, gebruikelijkheid en maatschappelijke betamelijkheid vallen niet samen.15 Het is immers denkbaar dat de gebruikelijke maatregel vanuit risicoperspectief niet toereikend is of achterhaald is. Dit is zeker het geval indien het voor de laedens duidelijk was dat de maatregel tekortschoot.16 Een ruime honorering van het ‘state of the industry-verweer is bovendien problematisch, omdat het kan leiden tot beloning van passief risicomanagement in de betreffende bedrijfstak.17 Het ‘state of the industry’-verweer moet aldus niet te snel worden toegewezen.
De ratio van een onderscheid op grond van de bedrijfstak is gelegen in een zekere mate van opgewekt vertrouwen door de ondernemer.18 Indien een ondernemer wil meespelen op het niveau van een bepaalde bedrijfstak, kan verwacht worden dat hij ervoor zorgt dat hij hetzelfde kennisniveau heeft als andere bedrijven. Dit hangt samen met het profijtbeginsel. Indien een ondernemer meedraait in een bepaalde sector, heeft hij daar over het algemeen profijt van. Hij heeft dan niet alleen het vertrouwen opgewekt bij potentiële klanten en derden, maar heeft door dit opgewekte vertrouwen mogelijk nieuwe klanten aangetrokken.