Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer
Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.5.4:15.5.4 Separate APV’s
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/15.5.4
15.5.4 Separate APV’s
Documentgegevens:
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232922:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie nader paragraaf 14.4.2.3.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een eenvoudiger alternatief voor het hierboven beschreven systeem lijkt wellicht het creëren van separate APV’s, per familiestaak één. Dit stuit mijns inziens echter op de volgende bezwaren. Allereerst is het met name een oplossing voor de situatie waarin er meerdere inbrengers zijn, welke zich naar ik aanneem zelden zal voordoen gezien de complicaties die dit met zich brengt. De concrete problematiek speelt voornamelijk in gevallen waarin de inbrenger is overleden en wordt toegerekend aan meerdere erfgenamen. In dit laatste geval levert het creëren van separate APV’s als gevolg van het systeem van de toerekening beperkt of geen voordeel op.
Voorbeeld: separate APV’s
Inbrenger X heeft ten behoeve van zijn drie kinderen A, B en C een APV ingesteld. X overlijdt, met zijn drie kinderen als erfgenamen voor gelijke delen. Om de belangen van zijn kinderen afzonderlijk te kunnen behartigen, deelt het bestuur van het APV het APV-vermogen in drie delen, welke ieder in een sub-APV voor één kind worden ingebracht. Het systeem van artikel 2.14a lid 1 Wet IB 2001 schrijft nu voor dat het vermogen van APV A voor ⅓ aan A toegerekend wordt, voor ⅓ aan B en voor ⅓ aan C. Hetzelfde geldt uiteraard voor de APV’s B en C. Het instellen van separate APV’s leidt daardoor eerder tot meer complicaties dan dat het iets oplost.1
Dit probleem is ten dele te ondervangen door bij leven separate APV’s in te stellen per kind, waarvan de andere kinderen (en hun partners) geen begunstigde zijn of kunnen worden. Dit beperkt echter in hoge mate de flexibiliteit. Indien A zich ongunstig blijkt te ontwikkelen en geen uitkeringen verdient volgens de criteria van X, of A en B uiteindelijk wel afstammelingen hebben, maar C niet, dan is de “herverdeling” van het APV-vermogen gemakkelijker bij één APV dan bij drie aparte, zo dit niet bij de regeling van de begunstiging geheel uitgesloten is. Voorts is het in de situatie waarin de inbrenger reeds overleden is maar de vraag of de regelingen met betrekking tot het APV wel voorzien in de mogelijkheid tot het aanbrengen van een dergelijke scheiding met uitsluiting van onderlinge begunstiging.
Het punt is dus niet in alle gevallen onoverkomelijk, maar in veel situaties juist wel. Daarnaast dient de wetgever mijns inziens een consistent en zuiver systeem te hanteren, dat voorziet in de verschillende wijzen waarop belastingplichtigen hun zaken civielrechtelijk vorm kunnen geven en niet uitsluitend bepaalde vormen daarvan. De hierboven geschetste systematiek met “aandelen” doet meer recht aan dit uitgangspunt dan de huidige APV-regeling