Einde inhoudsopgave
Instellingen voor collectieve belegging in effecten (O&R nr. 119) 2020/5.2.1.2
5.2.1.2 Consolidatie
mr. drs. J.E. de Klerk , datum 01-02-2020
- Datum
01-02-2020
- Auteur
mr. drs. J.E. de Klerk
- JCDI
JCDI:ADS193666:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Voetnoten
Voetnoten
De moederinstelling in een lidstaat is in CRR gedefinieerd als een instelling in een lidstaat die een instelling of een financiële instelling als dochteronderneming heeft, of die een deelneming heeft in een dergelijke instelling of financiële instelling en zelf geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding. Om als moederinstelling te classificeren is het dus voldoende om een deelneming in een instelling te hebben (art. 4 lid 1 punt 28 CRR).
Zie voor meer informatie hierover Joosen en Lieverse (2015), p. 2.2., en Joosen en Louisse (2018b).
Beheerders kunnen onderdeel van een groep zijn. In CRD IV en CRR is ook een regeling opgenomen over geconsolideerd toezicht. Deze regeling is alleen van toepassing als er één of meer banken of beleggingsondernemingen in de groep zitten.1 Als er uitsluitend beheerders in de groep zitten die geen beleggingsdiensten verlenen, zijn de bepalingen van het geconsolideerde toezicht niet van toepassing.
Als een beheerder beleggingsdiensten verleent en wordt opgevat als een beleggingsonderneming onder CRR, kan dit leiden tot geconsolideerd toezicht.2 Als er sprake is van geconsolideerd toezicht, dienen kapitaalsvereisten te worden berekend op geconsolideerd niveau.3 Het doel hiervan is het voorkomen van ondermijnende constructies, bijvoorbeeld constructies waarbij de moedermaatschappij4 de dochterinstellingen financiert met veel vreemd vermogen. In CRR worden twee situaties onderscheiden. De eerste situatie is de situatie waarbij er alleen maar beleggingsondernemingen in de groep zitten en de andere is de situatie waarbij er een beleggingsonderneming en een bank in de groep zitten. In het eerste geval kan er sprake zijn van een verlicht regime.5 Dat regime heeft met name gevolgen voor groepen met een moederinstelling in een lidstaat en activiteiten buiten Europa.6