Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/4.3.7.4
4.3.7.4 De uitzonderingsbepaling van artikel 24 lid 3 WOR
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS489869:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
De uitzondering is niet van toepassing voor de in art. 25 lid 4 WOR bedoelde overlegvergadering, nu daarin alleen art. 24 lid 2 van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, noch voor die van art. 30 lid 3 WOR, waarin naar art. 25 lid 4 wordt verwezen.
Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 5, p. 56-57.
Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 7. In deze Nota van wijzigingen maakte de instelling van een ondernemingsraad in de vijf ondernemingen resp. bij de vijf in een groep verbonden ondernemers geen deel uit van de tekst van lid 3. Die instelling is pas nadien toegevoegd (Tweede Nota van wijzigingen, Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 13), met als redengeving dat de uitzondering is ingegeven door ongewenste overbelasting. Verondersteld wordt dat daarvan sprake is als in meer dan vijf ondernemingen een ondernemingsraad is ingesteld.
In de veronderstelling dat het aantal vergaderingen als bedoeld in art. 25 lid 4 en art. 30 lid 3 WOR niet zo groot zal zijn dat daardoor overbelasting dreigt te ontstaan, heeft de wetgever weloverwogen (Kamerstukken I 1978-1979, 13 954, nr. 8d, p. 14) de uitzondering op de verschijningsplicht beperkt tot de vergaderingen waarin de algemene gang van zaken van de onderneming wordt besproken.
HR 14 maart 2008, NJ 2008, 167 en JOR 2008/94, m.nt. Holtzer (COR/TNT).
Zie uitgebreider par. 3.5.
Heeft een aandeelhouder met een 50% belang toch een doorslaggevende zeggenschap in de deelneming, bijvoorbeeld op grond van een aandeelhoudersovereenkomst, dan gaat een dergelijke belang wél gepaard met groepsverbondenheid.
Hoewel de Hoge Raad in de TNT-uitspraak oordeelde dat het Hof terecht geen aansluiting heeft gezocht bij het groepsbegrip van art. 2:24a BW of van art. 2:24b BW voor de uitleg van het begrip ‘in een groep verbonden ondernemers’ in de WOR, zal bij groepsverbondenheid in de zin van de WOR in verreweg de meeste gevallen sprake zijn van een dochtervennootschap in de zin van art. 2:24a BW en art. 2:24b BW.
In par. 3.4 besprak ik dat de wetgever bij de wetswijzigingen van 1971 en van 1979 in de veronderstelling heeft verkeerd dat de bestuurder van de onderneming tevens bestuurder is van de rechtspersoon die de onderneming in stand houdt. In de praktijk blijkt die veronderstelling niet altijd bewaarheid te worden. Om te bewerkstelligen dat bij de in art. 24 lid 1 en bij de in art. 25 lid 4 WOR altijd een bestuurder van de ondernemer aanwezig is, spreek ik hier nadrukkelijk van bestuurders van ‘de ondernemer’ die de onderneming in stand houdt, en niet van bestuurders van ‘de stichting of de vereniging’ die de onderneming in stand houdt. Indien de bestuurder van de onderneming tevens bestuurder van de ondernemer is, vloeit zijn aanwezigheid (mede) voort uit het bepaalde in art. 23 lid 4 WOR.
Ik zie met betrekking tot bestuurders van de ondernemer af van een bepaling zoals ik die in lid 3 heb opgenomen voor commissarissen. Als het gaat om belasting ten gevolge van verplichte aanwezigheid bij overlegvergaderingen, mag men aan bestuurders andere eisen stellen dan aan commissarissen
Op grond van art. 24 lid 3 WOR geldt de verschijningsplicht van de commissarissen van de ondernemer resp. de bestuurders van de aandeelhouder niet, indien de ondernemer tenminste vijf ondernemingen in stand houdt waar een ondernemingsraad is ingesteld, of indien de ondernemer deel uitmaakt van in een groep verbonden ondernemers die tezamen tenminste vijf ondernemingsraden hebben ingesteld.1 Lid 3 is, naar aanleiding van vragen uit de Tweede Kamer,2 ingevoerd bij Nota van wijzigingen.3 Met de invoering werd tegemoet gekomen aan het bezwaar dat het binnen grote concerns voor de directie praktisch onmogelijk is, zelfs met aanwijzing van vertegenwoordigers, aanwezig te zijn bij alle in lid 1 bedoelde vergaderingen van de tot het concern behorende ondernemingen. Omdat voor de ondernemer die een groepsondernemingsraad of een centrale ondernemingsraad heeft ingesteld al snel zal gelden dat hij voldoet aan het getalscriterium dat de gehoudenheid te verschijnen terzijde schuift, geldt de uitzondering in concernverband niet voor het overleg met deze ondernemingsraden (art. 35 lid 1 WOR).
Dat de wetgever een grens heeft willen stellen aan het aantal overlegvergaderingen waar commissarissen of bestuurders verplicht zijn te verschijnen, valt te begrijpen, 4 ook al gaat dat ten koste van het feit dat de medezeggenschap er bij gebaat is de algemene gang van zaken van de onderneming twee keer per jaar met bepalende vennootschaps- of concernfunctionarissen te bespreken. De terminologie van art. 24 lid 3 WOR is echter niet altijd even consequent, indien we deze leggen naast die van lid 2 en afzetten tegen het oogmerk overbelasting te voorkomen. Op grond van art. 24 lid 2 WOR rust de verschijningsplicht op de bestuurders van de aandeelhouder, indien deze tenminste de helft van de aandelen houdt. De uitzondering van lid 3 geldt evenwel voor bestuurders van moedervennootschappen die met de ondernemer in een groep verbonden zijn. Sinds de uitspraak van de Hoge Raad inzake COR TNT,5 zal van groepsverbondenheid doorgaans geen sprake zijn bij een belang van de helft van de aandelen.6 Het criterium dat de verschijningsplicht in het leven roept en dat voor een beroep op de uitzonderingsbepaling, zijn dus niet per definitie met elkaar in overeenstemming.7 Ik geef een voorbeeld hoe dat uit kan pakken. Holding A heeft vier dochtervennootschappen waar een ondernemingsraad is ingesteld. Zij is daarnaast op basis van gelijkwaardigheid partner in twee 50/50 joint ventures waar een ondernemingsraad is ingesteld. Haar bestuurders zullen op grond van art. 24 lid 2 WOR bij alle overlegvergaderingen van de zes deelnemingen moeten verschijnen. Zij kunnen zich niet beroepen op de uitzondering van art. 24 lid 3 WOR, nu de gelijkwaardigheid van zeggenschap in de joint ventures er aan in de weg staat dat zij met Holding A in een groep verbonden zijn. Zou de verschijningsplicht beperkt zijn tot gevallen waarin de onderneming een dochtervennootschap in de zin van art. 2:24a BW of een groepsmaatschappij in de zin van art. 24b BW is, dan zou deze onevenwichtigheid grotendeels tot het verleden behoren.8 Daar staat dan echter tegenover dat vanuit het perspectief van de ondernemingsraad afbreuk zou worden gedaan aan de mogelijkheid om met bestuurders van een belangrijke (nl. 50%) aandeelhouder overleg te voeren. In dat opzicht zou het, zo men bij handhaving van de bestaande verplichting vreest voor overbelasting, de voorkeur verdienen in art. 24 lid 3 WOR op te nemen dat de bestuurders niet gehouden zijn te verschijnen indien de in lid 2 bedoelde andere vennootschap middellijk of onmiddellijk tenminste de helft van de aandelen houdt in vijf of meer vennootschappen waar een ondernemingsraad is ingesteld.
De mogelijkheid een beroep te doen op art. 24 lid 3 WOR pakt ook om andere redenen niet altijd bevredigend uit. Dat hangt samen met het feit dat de gehele groep van ondernemers bepalend is voor de vraag of een beroep op de uitzondering kan worden gedaan, en niet de vennootschap waarvan de bestuurder gehouden is te verschijnen. Vanuit de gedachte dat de regeling er hoofdzakelijk toe strekt overbelasting van bestuurders te voorkomen, had dit laatste wel voor de hand gelegen. Ook hier geef ik een voorbeeld. Holding A BV heeft voor haar twee divisies de subholdings Y BV en Z BVopgericht, die elk op hun beurt de aandelen houden in drie vennootschappen die een onderneming in stand houden waar een ondernemingsraad is ingesteld. Het concern bestaat daarmee uit negen in een groep verbonden ondernemers. Op grond van art. 24 lid 2 WOR rust de verschijningsplicht in de overlegvergaderingen van de acht ondernemers op de bestuurders van Holding A als middellijk houder van tenminste de helft van de aandelen in die ondernemers. Deze bestuurders kunnen zich echter op de uitzondering van art. 24 lid 3 WOR beroepen. In het licht van de zware belasting die art. 24 lid 3 WOR beoogt te voorkomen, valt dat te rechtvaardigen. Dat ligt anders voor de bestuurders van Y en Z. Zou de verschijningsplicht op hen rusten, dan zou dat voor hooguit drie overlegvergaderingen gelden. Hoewel van hen als divisiebestuurders verwacht mag worden dat zij een zinvolle bijdrage leveren aan het overleg, komt de verschijningsplicht echter niet op hen te rusten, indien de bestuurders van A zich op de vrijstelling kunnen beroepen. Dat vind ik een onvolkomenheid in de regeling die afbreuk doet aan het belang van de aanwezigheid van bestuurders.
Art. 24 lid 3WOR heeft ook andere gevolgen waarvan moeilijk is voor te stellen dat de wetgever die heeft voorzien, laat staan dat hij die heeft gewenst. Stel dat in het zojuist gegeven voorbeeld van Holding A bij twee van de zes kleindochter-vennootschappen een raad van commissarissen functioneert. Uitgangspunt is dat de commissarissen van deze twee ondernemers op grond van 24 lid 2 WOR eerste volzin gehouden zijn de in art. 24 lid 1 bedoelde overlegvergadering bij te wonen. Nu tenminste de helft van de aandelen in die zes kleindochters wordt gehouden door Holding A, komt de verschijningsplicht op grond van art. 24 lid 2 WOR tweede volzin te rusten op de bestuurder(s) van Holding A in plaats van op die commissarissen. Deze bestuurders kunnen zich echter op hun beurt op art. 24 lid 3 WOR beroepen om niet in de overlegvergaderingen van de dochters te verschijnen, zonder dat dit leidt tot het herleven van een verschijningsplicht voor de commissarissen. Op grond van art. 24 lid 2 resp. lid 3 WOR rust in dit voorbeeld dus noch op de commissarissen van de ondernemer noch op de bestuurders van de aandeelhouder de plicht de in art. 24 lid 1 WOR bedoelde overlegvergadering bij te wonen. Dat pleit er voor in art. 24 lid 2 WOR te bepalen dat de verschijningsplicht op de bestuurders van de aandeelhouder komt te rusten, tenzij de ondernemer deel uitmaakt van in een groep verbonden ondernemers waar ten minste vijf ondernemingsraden zijn ingesteld. De uitzondering van art. 24 lid 3 WOR blijft dan beperkt tot de verschijningsplicht van commissarissen, en wel in die gevallen waarin de ondernemer meer dan vijf ondernemingen in stand houdt waar een ondernemingsraad is ingesteld.
Zou men de regeling van art. 24 WOR in de door mij bepleite zin aldus aanpassen dat het aan de ondernemingsraad is bestuurders of commissarissen van de moeder uit te nodigen, dan zou men daarnaast in art. 24 lid 3 WOR kunnen bepalen dat die bestuurders resp. die commissarissen niet gehouden zijn aan de uitnodiging gehoor te geven indien dat er toe zou kunnen leiden dat zij in tenminste vijf overlegvergaderingen zouden hebben te verschijnen. Art. 24 leden 2 en 3 WOR zouden, met de aanpassingen die mij blijkens het voorgaande voor ogen staan, als volgt worden gewijzigd:
‘2.
Indien de onderneming in stand wordt gehouden door een naamloze vennootschap, een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, een coöperatie of een onderlinge waarborgmaatschappij, zijn bij de in het eerste lid bedoelde besprekingen de commissarissen van de vennootschap, de coöperatie of de onderlinge waarborgmaatschappij, als die er zijn, dan wel een of meer vertegenwoordigers uit hun midden aanwezig. De ondernemingsraad kan in een bepaald geval besluiten, dat aan dit lid geen toepassing behoeft te worden gegeven.
3.
Het in het vorige lid bepaalde geldt niet ten aanzien van een onderneming die in stand wordt gehouden door een ondernemer die ten minste vijf ondernemingen in stand houdt waarvoor een ondernemingsraad is ingesteld waarop de bepalingen van deze wet van toepassing zijn.
4.
Indien ten minste de helft van de aandelen van de in lid 2 bedoelde vennootschap middellijk of onmiddellijk voor eigen rekening gehouden wordt door een andere vennootschap, en de ondernemingsraad daartoe tijdig de wens te kennen heeft gegeven, zijn de bestuurders of de commissarissen van de laatstbedoelde vennootschap, dan wel een of meer door hen aangewezen vertegenwoordigers, in plaats van de in lid 2 bedoelde commissarissen bij de in lid 1 bedoelde vergadering aanwezig
5.
Het in het vorige lid bepaalde geldt niet ten aanzien van een andere vennootschap die tenminste de helft van de aandelen houdt in een of meer ondernemers die tenminste vijf ondernemingsraden hebben ingesteld waarop de bepalingen van deze wet van toepassing zijn.
6.
Wordt de onderneming in stand gehouden door een rechtspersoon, dan zijn de bestuurders van die rechtspersoon, dan wel een of meer vertegenwoordigers uit hun midden aanwezig.9 De ondernemingsraad kan in een bepaald geval besluiten, dat aan dit lid geen toepassing behoeft te worden gegeven.’.10
Om te bewerkstelligen dat de regeling ook van toepassing is ten aanzien van het in art. 25 lid 4 WOR bedoelde overleg, zal daarin verwezen moeten worden naar art. 24 leden 2, 4 en 6 WOR.