Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/
Inleiding
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS484998:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies 1968/13, p. 31.
Rapport Commissie Verdam, p. 89 en 95-96. Een minderheid van de leden van de commissie zag, om redenen die heden ten dage enige verbazing zullen oproepen, niets in het voorstel: de sfeer binnen raden van commissarissen verschilt met die binnen de meeste ondernemingsraden, de problematiek is niet te vergelijken, en bovendien is de ‘taal’ die in de raad van commissarissen wordt gesproken een andere dan die in ondernemingsraden. Daar staat tegenover dat diezelfde minderheid overleg met een afvaardiging in plaats van met de gehele raad van commissarissen op zich wél zinvol achtte, omdat een werkelijk contact tussen beide gebaat zou zijn met een meer intieme en minder formele sfeer.
Deze terughoudendheid werd in de Memorie van Antwoord (Kamerstukken II 1969-1970, 10 335, nr. 6, p. 15) aldus onderbouwd dat het wenselijk was dat commissarissen wat meer op de achtergrond blijven bij aangelegenheden waarin zij een beslissende rol zouden kunnen spelen.
Op advies van de SER,1 die zich op zijn beurt had laten inspireren door de Commissie Verdam,2 is in 1971 een bepaling in de wet opgenomen met betrekking tot de aanwezigheid van bepaalde functionarissen bij een aantal vergaderingen van de ondernemingsraad. Was de ondernemer een naamloze of een besloten vennootschap waar een raad van commissarissen was ingesteld, of was de ondernemer een vereniging of een stichting, dan waren de commissarissen resp. dan waren de bestuurders van de vereniging of de stichting aanwezig of vertegenwoordigd bij de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming die ten minste twee maal per jaar plaats vond (art. 24 lid 1 jo lid 5 WOR 1971). De regeling bepaalde ook dat de ondernemingsraad van hun aanwezigheid kon afzien. Met betrekking tot het overleg over de in art. 25 WOR 1971 bedoelde adviesplichtige aangelegenheden lagen de zaken precies omgekeerd: slechts indien de ondernemingsraad de wens daartoe te kennen had gegeven, waren de commissarissen resp. de bestuurders daarbij aanwezig (art. 25 lid 2WOR 1971).3 In 1979 is de bepaling inzake de aanwezigheid van commissarissen overgeheveld naar lid 2 van art. 24 WOR. Nieuw was de tweede volzin met betrekking tot de aanwezigheid van bestuurders van een vennootschap die tenminste de helft van de aandelen in de ondernemer houdt.