Naar een Nederlandse political question-doctrine?
Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/1.2.1:1.2.1 De kredietcrisis
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/1.2.1
1.2.1 De kredietcrisis
Documentgegevens:
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233749:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Den Haag (vzr.) 1 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7242, JB 2012/174, m.nt. Broeksteeg, AA 2012, p. 635-640, m.nt. Schutgens.
Zie r.o. 3.1.
Zie r.o. 3.3 tot en met 3.6.
Bovend’Eert 2015, p. 141- 145.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een eerste voorbeeld van een andere zaak is de ESM-zaak uit 2012.1 Deze zaak betrof een door Geert Wilders en Louis Bontes aangespannen kort geding over de instemming met het Europees Stabiliteitsmechanisme, een noodfonds dat werd ingesteld voor Europese lidstaten die door de wereldwijde kredietcrisis in financieel zwaar weer terecht waren gekomen. Beide Kamerleden van de PVV meenden dat regering en parlement, met het oog op de aanstaande verkiezingen na de val van het eerste kabinet-Rutte, daar niet mee mochten instemmen tot na de nieuwe verkiezingen, en vorderden van de voorzieningenrechter van de rechtbank in Den Haag een verbod met die strekking.
Hoewel de voorzieningenrechter de vordering afwees, verklaarde hij zich uitdrukkelijk bevoegd: nu de vordering was gebaseerd op het leerstuk van de onrechtmatige daad, was de bevoegdheid van de rechter gegeven.2 Vervolgens erkende hij dat het geschil raakte aan de vaststelling van wetgeving en dat de rechter daarom grote terughoudendheid in acht moet nemen. Toch wijdde de voorzieningenrechter daarop diverse inhoudelijke overwegingen aan de positie van volksvertegenwoordigers, de behandeling van wetsvoorstellen ten tijde van een demissionair kabinet en de positie van de minister van Financiën, om uiteindelijk te oordelen dat van enig onrechtmatig handelen geen sprake was.3
Net als het hiervoor besproken Urgenda-vonnis, heeft ook dit vonnis de aandacht van Bovend’Eert getrokken. Onder verwijzing naar de Amerikaanse political question-doctrine heeft hij betoogd dat de rechter ook in deze zaak een inhoudelijke beoordeling achterwege had moeten laten door zichzelf onbevoegd te verklaren. Bovend’Eert spreekt in dit verband van een ‘overijverige’ voorzieningenrechter die ten onrechte inhoudelijke overwegingen wijdde aan de ingestelde vordering. Volgens hem maakt de rechter, door zich onbevoegd te verklaren en daarmee van een inhoudelijke beoordeling af te zien, onomwonden kenbaar dat hij geen functie heeft bij de beslechting van het voorliggende geschil.4