Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/1.2.3
1.2.3 Brexit
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233572:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Amsterdam (vzr.) 7 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:605, JB 2018/45, m.nt. Van der Hulle. Zie ook Van Emmerik, Ten Napel en Uzman 2018, p. 2651.
Zie r.o. 5.3.
Idem.
Zie r.o. 5.8. Vgl. voor een eerdere analyse van het tussenvonnis van de voorzieningenrechter in het licht van de Amerikaanse political question-doctrine mijn noot in JB 2018/45. Overigens zou de voorzieningenrechter korte tijd later op verzoek van de Staat en de gemeente Amsterdam bepalen dat tegen het hiervoor bedoelde tussenvonnis hoger beroep kon worden ingesteld. Daarmee wist hij de beslissing over het stellen van prejudiciële vragen handig door te schuiven naar het gerechtshof. Het hof zag vervolgens van het stellen van prejudiciële vragen af. Hoewel het hof het oordeel van de voorzieningenrechter onderschreef dat het hier niet ging om een geschil waarover de rechter geen oordeel ‘mag’ geven, waren de vorderingen volgens het hof onvoldoende concreet geformuleerd om voor toewijzing in aanmerking te komen. Zie resp. Rb. Amsterdam (vzr.) 20 februari 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:933 en Hof Amsterdam 19 juni 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:2009. Zie ook Krommendijk 2018; Van Emmerik, Ten Napel en Uzman 2018, p. 2651.
Ook in de recente Brexit-zaak is aan de political question-doctrine gerefereerd.1 Sommige in Nederland woonachtige Britse staatsburgers vreesden dat zij als gevolg van de Brexit het aan het Unieburgerschap verbonden recht om te verblijven, werken en te wonen in een andere lidstaat zouden verliezen. Zij vorderen van de Amsterdamse voorzieningenrechter een gebod aan de Staat en de gemeente Amsterdam om dit recht te respecteren, door niet met een uittredingsakkoord in te stemmen, noch daaraan uitvoering te geven, indien daarin het aan het Unieburgerschap verbonden recht om te verblijven, werken en te wonen in een andere lidstaat niet of onvoldoende zou zijn gegarandeerd.
De Staat en de gemeente betoogden dat deze procedure een onwenselijke doorkruising vormde van het politieke onderhandelingsproces over de voorwaarden voor de Brexit. De Amsterdamse voorzieningenrechter ging daar niet in mee. In een opmerkelijk tussenvonnis overwoog hij voornemens te zijn over het eventuele verlies van het Unieburgerschap en de daaraan verbonden rechten prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Interessant is dat hij het door de Staat en de gemeente gevoerde verweer opvatte als een beroep op de ‘doctrine van de political question’.2 Volgens de voorzieningenrechter is bij deze doctrine beslissend of het voorliggende geschil raakt aan een onderwerp dat constitutioneel tot de competentie van de andere staatsmachten behoort, of voldoende duidelijke en objectieve criteria zijn aan te wijzen om het geschil in rechte te kunnen beslechten, en of een rechterlijk oordeel de mogelijkheid voor een andere staatsmacht om zich over het onderwerp in kwestie een politiek oordeel te vormen doorkruist.3 De voorzieningenrechter overwoog vervolgens dat deze doctrine – als deze al in Nederland zou gelden – echter niet van toepassing was, nu een fundamenteel, aan het Unieburgerschap ontleend, recht in het geding was.4