Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/8.5.2
8.5.2 Grondslag en hoogte van de schadevergoeding
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685442:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Hof Leeuwarden 21 december 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AU8618, rov. 28. Anders: Langbroek 2017, die de vergoeding van het positieve dan wel negatieve belang laat afhangen van de vraag of de overheid zich op onvoorziene omstandigheden kan beroepen. Zie ook Bloembergen in zijn annotatie bij HR 22 februari 1974, ECLI:NL:HR:AC5414, NJ 1975/381 (Roosendaal en Nispen/ Vereniging voor Kinderbescherming), onder 5.
HR 25 januari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4950, NJ 1985/559 (Patelski/Sittard). Zie ook rov. 5.7 van Hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4015 (X/Winterswijk): “Uitgaande immers van de juistheid van de weigeringsbeschikking(en) wegens de formele rechtskracht daarvan blijft dan staan dat de schade als gevolg van de voorbehoudloze toezeggingen van een bouwvergunningverlening onder de omstandigheden van het onderhavig geval aan de Gemeente zijn toe te rekenen.” Zie ook de zaak Televerde uit par. 8.2.2, Rb. Amsterdam 3 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6996.
Rb. Den Haag 12 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:1224 en het eindvonnis Rb. Den Haag 19 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:189. De schade bestaande uit een gemiste waardestijging van het perceel bedraagt (rekening houdend met de kans van 60%) EUR 231.127,90.
Vgl. Rb Den Haag 8 februari 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:1195 (X/Katwijk), rov. 4.15: sprake is van een csqn-verband tussen de niet-nakoming door de gemeente en de gemiste kans op verwezenlijking van het bouwplan. In rov. 4.17 overweegt de rechtbank dat bij de vaststelling van de schade moet worden uitgegaan van de situatie dat de toezeggingen gestand zouden zijn gedaan.
In Rb. Amsterdam 3 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6996 was sprake van niet-nakoming van de inspanningsverplichting van de gemeente tot de ontwikkeling van bepaalde gronden. De schade bestaat uit de waarde van de gemiste kans op verwezenlijking van de plannen (rov. 4.45). Zie over kansschade Asser/Sieburgh 6-II 2021/79-83. De schade wordt begrepen als de waarde van de ontnomen kans. Het oorzakelijk verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gedraging of omstandigheid en de kansschade is vaststelbaar.
Rb. Den Haag 12 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:1224, rov. 4.47. Voor het vaststellen van de kans beziet de rechter onder andere vergelijkbare gevallen, krantenartikelen waaruit het overheidsbeleid blijkt, het ruimtelijk beleid van de provincie en het aanwenden van rechtsmiddelen door derden indien de gemeente haar toezegging zou zijn nagekomen. De rechtbank komt tot een percentage van 60% dat het bestemmingsplan destijds met inbegrip van de woonbestemming voor de dienstwoning tot stand zou zijn gekomen (rov. 4.16). Op 19 februari 2022 deed de rechtbank einduitspraak, Rb. Den Haag 19 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:189.
A-G Valk concludeert daaromtrent onder 3.35: “De vraag of de Staat kan volstaan met vergoeding van omrijschade, dan wel er ook sprake is van een te vergoeden waardevermindering van zijn woning, is in dit geding dus niet aan de orde. Het is te hopen dat partijen, nadat de strijd over de vraag of de toegezegde brug er dient te komen, zal zijn beëindigd, in een minnelijk traject het over de door de Staat verschuldigde schadevergoeding eens zullen kunnen worden.”
Rb. Overijssel 8 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4682
Rb. Overijssel 8 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4682, rov. 4.15.
Zie hoofdstuk 11.
Par. 4.3.
Zie ook HR 23 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0832, NJ 1990/441, AB 1989/552 (Bedrijfsverplaatsing Budel), rov. 3.2.
Hof Amsterdam 6 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2125, rov. 3.4.
Hof Amsterdam 6 juni 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2125, rov. 3.6. De schadestaatprocedure is afgerond met een vonnis van de Rechtbank Den Haag van 19 januari 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:189.
Par. 4.3.
Par. 3.4 en par. 4.3.
Zie eerder HR 23 juni 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0832, NJ 1990/441, AB 1989/552 (Bedrijfsverplaatsing Budel). Dit sluit aan bij de in hoofdstuk 3 genoemde rechtsliteratuur, in het bijzonder Bloembergen & Slagter (Bloembergen) 1976, p. 18; Vranken 1989, p. 121; Cauffman 2005, p. 816; Langbroek 2017, voetnoot 10; Spierings 2016, p. 14, 342-344 en Scheltema & Scheltema 2013, p. 224-226. Zie ook Ackermans-Wijn 1990a, onder 2. Zij merkt op: “Bij toezeggingen die niet gestand worden gedaan zal het immers vaak zo zijn dat degene die de toezegging kreeg een voordeel mist (positief belang) en niet dat hij op zichzelf schade lijdt (negatief belang). De schadevergoedingsplicht zou in veel gevallen voor de eiser een dode mus zijn als dit alleen beperkt zou zijn tot vergoeding van het negatief belang.” Zij merkte dit ook op in Ackermans-Wijn 1989, par. 5.3.
Par. 5.4.
HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5420, NJ 2010/371, AB 2010/334 (Gelderland/Vitesse I).
Rb. Noord-Nederland 7 februari 2019, ECLI:NL:RBNNE:2019:407.
Rb. Amsterdam 3 oktober 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:6996.
Rb. Noord-Holland 11 september 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:7707.
Hof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9727,
Rb. Noord-Holland 17 februari 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:1291.
Rb. Overijssel 8 december 2021, ECLI:NL:RBOVE:2021:4682.
HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1957, NJ 2022/236, AB 2022/134 (Toezegging aanleg brug).
HR 19 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1683, NJ 2016/1, AB 2016/58 (Overzee/Zoeterwoude).
HR 24 maart 1933, ECLI:NL:HR:1933:15, NJ 1933, p. 1575.
Bij een tekortkoming in de nakoming van bevoegdhedenovereenkomsten geldt – net als voor ‘gewone’ overeenkomsten – dat in dat geval vergoeding van het positieve contractsbelang moet plaatsvinden aan de hand van een vergelijking tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie waarin sprake is van nakoming van de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. De wederpartij moet financieel in de positie worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd als de tekortkoming was uitgebleven en de overeenkomst correct was nagekomen.
Dit blijkt bijvoorbeeld uit het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden over de verplaatsing van het attractiepark:
“Voor wat betreft de omvang van die schade is het hof van oordeel dat de huidige situatie moet worden vergeleken met de hypothetische situatie dat de gemeente wél een voldoende planologische basis had gecreeerd voor zelfstandige horeca-activiteiten, zodat [appellant] daarvan de inkomsten had kunnen genereren.”1
Ingeval een overheid een ongeclausuleerde resultaatgerichte toezegging niet nakomt, is zij eveneens aansprakelijk voor het positief belang.2
De schadestaatprocedure in de casus Overzee/Zoeterwoude verschaft – met de aantekening dat in die zaak sprake is van begroting van kansschade – de nodige duidelijkheid over de vaststelling van de schade wegens tekortkoming in de nakoming van een toezegging.3 Het gaat om de schade als gevolg van de schending door de gemeente van haar toezegging dat zij de voormalige dienstwoning bij het gemaal met de bestemming ‘woondoeleinden’ zou opnemen in het ontwerpbestemmingsplan.4 De Hoge Raad overweegt dat de schade bestaat uit de waarde van een gemiste kans op verwezenlijking van de plannen van Overzee, waarbij het onzekere antwoord op de vraag of het bestemmingsplan destijds met inbegrip van de woonbestemming voor de dienstwoning tot stand zou zijn gekomen tot uitdrukking dient te komen in de bepaling van de grootte van die kans.5 In de schadestaatprocedure moet de gemiste kans in een percentage worden uitgedrukt, en moet vervolgens een vermogensvergelijking plaatsvinden waarin de feitelijke situatie van Overzee wordt vergeleken met de hypothetische situatie waarin hij zou hebben verkeerd als de toezegging zou zijn nagekomen.6
De casus van de aanleg van de brug ging uitsluitend over de nakoming van de toezegging,7 zodat geen uitspraken zijn gedaan over de schadevergoeding die de Staat aan de benadeelde is verschuldigd als gevolg van de niet-nakoming van de toezegging.
Echter, het arrest kan mijns inziens wel tot onnodige verwarring leiden. Zo wordt in de zaak over de Rederij8 verwezen naar dat arrest en de daarin in stand gelaten rechtsopvatting van het hof dat aansluiting kan worden gezocht bij het stappenplan van de Dakterras-uitspraak. Hierdoor zoekt de civiele rechter in de Rederij-zaak ook aansluiting bij de daarin bij stap 3 gehanteerde vergoeding van dispositieschade, hetgeen een verslechtering van de rechtsbescherming van de burger oplevert.9 Door een belangenafweging voorop te stellen en slechts de mogelijkheid van dispositieschade te benoemen, wordt naar mijn mening tegen het civielrechtelijke stelsel van vertrouwensbescherming ingegaan.10 Daar staat nakoming immers voorop en vindt in geval van de niet-nakoming van een toezegging vergoeding van het positief belang plaats.
Als reden voor vergoeding van het positief belang, moet naar mijn mening de kwalificatie van een gerichte toezegging als rechtshandeling worden aangewezen.11 Uit die rechtshandeling volgt een nakomingsverplichting die een verbintenis in het leven roept tussen de overheid en de burger aan wie de toezegging is gericht. Zoals uiteengezet in paragraaf 3.4, moet onder een verbintenis worden verstaan een vermogensrechtelijke betrekking tussen twee of meer personen krachtens welke de één jegens de ander tot een prestatie gerechtigd is en de ander jegens de één tot die prestatie verplicht is.12 Van niet-nakoming van een verbintenis is sprake als de schuldeiser de aan hem verschuldigde prestatie niet ontvangt.13 De gevolgen van wanprestatie treden in wanneer sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de verbintenis (artikel 6:74 BW). Zo bezien is de tekortkoming in de nakoming van een eenzijdige gerichte toezegging een wanprestatie. Toch wordt in de praktijk de grondslag voor een schadevergoedingsvordering in geval van niet-nakoming gevonden in de onrechtmatige daad in plaats van de niet-nakoming van de verbintenis die uit een toezegging zelf voortvloeit.14 Er wordt geen aansluiting gezocht bij afdeling 9, 1e titel van boek 6 BW ‘de gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis’, in het bijzonder artikel 6:74 BW.
Zo formuleerde het Hof Amsterdam in het verwijzingsarrest bij Overzee/Zoeterwoude, de grondslag voor schadevergoeding wegens de schending van nakoming van de toezegging als volgt:15
“Het niet nakomen van de hiervoor bedoelde toezegging [het niet opnemen van de dienstwoning in het ontwerpbestemmingsplan, NvT] is immers als zodanig onrechtmatig jegens [appellant].”16
Dit roept de vraag op waarom in de praktijk wordt aangesloten bij het leerstuk van de onrechtmatige daad en niet bij dat van wanprestatie. De gerichte toezegging is een eenzijdige rechtshandeling die een verbintenis in het leven roept tot nakoming van de toezegging.17
In de literatuur is het eigen rechtskarakter van een toezegging die uit zichzelf kan binden ook geconstateerd.18 Hoewel het voor de hoogte van de schadevergoeding geen verschil maakt of de schadevergoedingsplicht van de overheid voortvloeit uit een onrechtmatige daad of wanprestatie, is het dogmatisch wel belangrijk dit onderscheid te constateren. Juist in de literatuur wordt immers opgemerkt – en dit blijkt ook uit de rechtspraak – dat op een toezegging grotendeels dezelfde regels worden toegepast ten aanzien van de totstandkoming, geldigheid en uitleg als voor overeenkomsten. Hierbij valt te denken aan de uitleg en totstandkoming, maar ook aan de gevolgen van niet-nakoming.
De hoogte van de schadevergoeding van de tekortkoming in de nakoming van een eenzijdige gerichte toezegging moet – net als bij een tekortkoming in de nakoming van een (bevoegdheden)overeenkomst – via vergoeding van het positieve belang worden vastgesteld.19 Mijns inziens zou daarom ook de wanprestatie als grondslag moeten worden aangewezen voor die schadevergoeding. Niet alleen wordt daarmee het rechtshandelingkarakter van de toezegging en haar plek binnen het verbintenissenrecht verduidelijkt (en het onderscheid met de vertrouwensschending van het volgende hoofdstuk), maar het sluit tevens aan bij de overeenkomstige toepassing van regels ten aanzien van overeenkomsten op de eenzijdige, gerichte overheidstoezegging. Dit verklaart tevens de niet aangenomen samenhang tussen het bestemmingsplan en de daaraan voorafgegane toezegging in het geval van Overzee20 en zou ook de bestuursrechter dwingen meer duidelijkheid te scheppen over de aard van een eenzijdige, gerichte toezegging.
Indien wordt aangenomen dat bij niet-nakoming van een toezegging sprake is van wanprestatie, wordt benadrukt dat – naast schadevergoeding – nakoming kan worden gevorderd. Dat leidt in theorie tot een verbetering van de rechtspositie van de burger in geval van een schending van gerechtvaardigd vertrouwen. Zoals aan de orde gekomen in paragraaf 3.4.1, geldt in geval van wanprestatie het vereiste van verzuim voordat aan een vordering tot nakoming of schadevergoeding kan worden toegekomen. In de regel betekent dit dat eerst een ingebrekestelling moet worden gestuurd, een schriftelijke aanmaning waarin de overheid een redelijke termijn voor nakoming wordt gegeven (artikel 6:82 lid 1 BW). Het vereiste van een ingebrekestelling kan de positie van burgers verslechteren, nu dat vereiste een (nieuwe) hobbel oplevert. Het voert te ver om op deze plek het door mij voorgestelde toetsingskader voor alle situaties uit te werken, maar ik meen dat er in algemene zin goede redenen zijn om aan te nemen dat het verzuimvereiste in de praktijk niet snel zal leiden tot een verslechtering van de rechtspositie van de burger. Als we namelijk kijken naar de casus van dit hoofdstuk waarin een succesvol beroep werd gedaan op een eenzijdige toezegging – te weten Vitesse21, Albert Heijn22, Televerde23, dwangbevel dwangsommen24, projectontwikkelaar Spring’s25, Stichting Theater De Beun26, Rederij Eureka27, de toezegging over de aanleg van een brug28en Overzee29– geldt in al die zaken dat de burger op basis van een mededeling van de overheid (bijvoorbeeld af te leiden uit besluitvorming, het verstrijken van een termijn waarbinnen besluitvorming mogelijk was, een beleidswijziging of de ontkenning van het bestaan van een verbintenis30) mocht afleiden dat zij niet tot nakoming wilde overgaan. In dergelijke gevallen treedt het verzuim in wanneer de mededeling van de schuldenaar de schuldeiser bereikt (artikel 6:83 sub c BW). Ook valt te wijzen op de (combinatie met de) mogelijkheid dat het beroep van een overheid op het ontbreken van een ingebrekestelling in strijd met de redelijkheid en billijkheid is.31