Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/2.2
2.2 Kritiek op Packer
J. Kort , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200796:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk wordt een belangrijk deel van het feitenonderzoek in een strafzaak pas tijdens de rechtszitting verricht (Newburn, 2013: 571).
In een accusatoir systeem neemt het strafproces de vorm aan van een confrontatie tussen aanklager en verdediging. Tijdens het proces is er gelegenheid de ‘strijd aan te binden’ op basis van verschillende versies van de gebeurtenissen. Het inquisitoire systeem, gebruikelijk in grote delen van het Europese continent, neemt idealiter de vorm aan van een proces van waarheidsvinding; feitenonderzoek dat wordt geleid door een magistraat (Zedner, 2004). Overigens laten vele onderzoeken zien dat de praktijk, ook in het inquisitoire systeem, vaak ver verwijderd is van het ideaal van objectieve waarheidsvinding (Newburn, 2013). Gedurende het onderzoek wordt bewijsmateriaal verzameld in een dossier, op basis waarvan de zittingsrechter uitspraak kan doen of kan besluiten zelf getuigen op te roepen. Hier neemt het papieren dossier (grotendeels) de functie van het mondeling gevoerde proces over in het accusatoire systeem. Een belangrijk onderscheid is ook dat ‘plea bargaining’ en ‘guilty pleas’ een prominente plaats innemen in het accusatoire systeem. Vaak is daarvoor geen plaats in inquisitoire systemen zoals Duitsland (Zedner, 2004: 114-115). Nederland kent de OM-afdoening, waarbij een schikking met strafrechtelijke verdachten mogelijk is (transactie) en waarbij de officier van justitie een strafbeschikking kan opleggen. Tegen deze OM-strafbeschikking staat voor de verdachte weliswaar verzet open, maar van die mogelijkheid wordt slechts in een beperkt aantal gevallen gebruik gemaakt vanwege de kans op een hogere sanctie. Van een rechterlijke toetsing van de OM-strafbeschikking is formeel geen sprake (Knigge & De Jonge van Ellemeet, 2014: 8).
Ook wijzen Nederlandse strafrechtsgeleerden erop dat de belangen van rechtsstatelijkheid, rechtseenheid, democratie en effectiviteit niet uitsluitend worden gediend door het regelen van het strafproces bij wet in formele zin: ‘De wettelijke regels kunnen (…) zo vaag en onduidelijk zijn dat de justitiële autoriteiten daar alle kanten mee op kunnen. De regels kunnen voorts op gespannen voet staan met de grondrechten. Ten slotte geldt dat rechtseenheid niet wordt bereikt als een juridische infrastructuur die uniforme rechtstoepassing waarborgt, ontbreekt.’ (Groenhuijsen & Knigge, 2004: 20)
Overigens wordt in onderzoeken weinig aandacht besteed aan het verklaren van het spanningsveld tussen due process en crime control. Dat geldt voor fundamenteel rechtsonderzoek (vgl. Packer, 1964) en tevens voor de fundamentele rechten benadering (vgl. Ashworth & Redmayne, 2005): nagaan of aan fundamentele rechten van de verdachte wel wordt voldaan, levert immers geen kennis op over factoren die kunnen verklaren waardoor dat soms niet gebeurt. Zedner beschouwt de fundamentele rechten benadering, een ‘principle based approach’, desondanks als een nuttige aanvulling op ‘model building’ (zoals Packer doet): ‘Where the principles are clearly set out, they may furnish an important normative complement to the explanatory power of model building.’ (2004: 120).
Packer over het crime control model: ‘[P]eople who are known to the police as previous offenders should be subject to arrest at any time for the limited purpose of determining whether they have been engaging in anti-social activities.(…) [A]nyone who behaves in a manner suggesting that he may be up to no good should be subject to arrest for investigation: it may turn out that he has committed an offence, but more importantly, the very fact of stopping him for questioning, either on the street or at the station house, may prevent the commission of a crime. As a third instance, those who make a living out of criminal activity should be made to realize that their presence in the community is unwanted if they persist in their criminal occupations; periodic checks of their activity, whether or not this involves an arrest, will help to bring that attitude home to them.’ (1968: 177).
Hoewel Packer zijn theoretische bijdrage zeker niet als een grand theory had bedoeld (waarmee strafrecht en strafrechtspleging volledig begrepen kunnen worden), valt op dat er in de literatuur soms wel zo mee wordt omgegaan. Sommige auteurs beschouwen zijn modellen als een ‘monolithic scheme’ en pleiten voor het betrekken (en verder ontwikkelen) van meerdere modellen om de strafrechtspleging in zijn geheel te kunnen analyseren (Zedner, 2004). In enkele gevallen leidde dat tot aanvullende modellen (bijvoorbeeld van Griffiths, 1970 en King, 1981). Een uitzondering is Roach (1999), die stelt dat Packers modellen niet meer bij de moderne tijd passen. Hij komt dan ook met een alternatieve theorie.
Griffiths (1970) verwijt Packer dat zijn modellen beide uitgaan van de assumptie dat de belangen van burgers tegen de macht van de staat beschermd dienen te worden: een volgens hem typisch Amerikaans, klassiek liberaal uitgangspunt. In de visie van Griffiths zouden overheid en dader, wanneer er een sanctie aan te pas komt, ook gezien kunnen worden als ouder en kind, waarbij de overheid wordt toegestaan ‘het kind’ te corrigeren en het beste voor hem na te streven. Dan staan ze dus niet, zoals bij Packer, uitsluitend tegenover elkaar maar ook soms naast elkaar. Overigens werkt Packer zijn assumptie van bescherming tegen de overheid op een tamelijk specifieke wijze uit. In 1968 formuleert hij deze assumptie als: ‘[A] degree of scrutiny and control must be exercised with respect to the activities of law enforcement officers, (…) the security and privacy of the individual may not be invaded at will.’ (pp. 155-156) Packer kent een groot belang toe aan de veiligheid en privacy van het individu: daar mogen geen onnodige inbreuken op worden gemaakt. Binnen bepaalde grenzen staat Packer het de overheid toe daders van strafbare feiten te corrigeren, maar inderdaad gaat het daarbij zowel in het due process model als in het crime control model eenvoudigweg om repressie. Hij maakt daarbij geen onderscheid tussen verschillende typen strafrechtelijke interventies. Overigens werkt hij, los van de modellen, wel verschillende alternatieven voor strafrechtelijk optreden uit (1968: 251 e.v.).
Roach (1999) spreekt in aansluiting op Griffiths van een ‘limited liberal and adversarial vision of Packers models’ (p. 692). Volgens Roach leidt de inspiratie van Packer tot een eenzijdige analyse: de overheid treedt hierin alleen reactief op als gevolg van criminaliteit die aan het licht komt. Volgens Roach zouden de rechten van slachtoffers een overheid ook moeten bewegen tot een meer activistische houding: ‘Victims’ rights initiatives can move the state beyond its minimalist position and result in attempts by the state to manage risks and harms and redress feelings of insecurity, alienation and disrespect among crime victims and potential victims of crime.’ (1999: 92) Volgens hem mist Packer bovendien het perspectief van strafrechtsystemen in vele andere landen buiten de VS: ‘Packer assumes an adversarial system, even though most of the world employs inquisitorial procedures.’ (1999: 92) Dit is de vraag. Ook in een adversarieel stelsel is het nodig strafbare feiten op te sporen voordat daders berecht kunnen worden. Daarnaast lijken Packers modellen wel degelijk analytische waarde te hebben voor inquisitoire stelsels. Zo kan in Nederland, dat een overwegend inquisitoir rechtssysteem kent (zie hoofdstuk 1), de strafrechter ook zelf onderzoek doen in strafzaken. Dat wordt normaalgesproken hoofdzakelijk verricht door de politie, onder gezag van de officier van justitie1, maar indien nodig geacht kan van de gebruikelijke inquisitoire werkwijze worden overgeschakeld naar een meer accusatoire (vgl. Van Kempen, 2009).
Packer had (vanzelfsprekend) het Amerikaanse accusatoire strafrechtelijke stelsel voor ogen, maar ook in het Nederlandse overwegend inquisitoire systeem is vertrouwen in de opsporingsfase een belangrijke factor voor de analyse van opvattingen over strafrecht. Hoewel in de Nederlandse rechtszaal het genoemde onderzoek door de rechter meestal beperkt blijft, het strafdossier bekend wordt verondersteld en meestal slechts gedeeltelijk aan de orde wordt gesteld tijdens de zitting, kan behalve onderzoek verricht door de rechter, ook extra feitenonderzoek worden verlangd van het OM en bijzondere aandacht worden geschonken aan strafvordering en bewijs.2Due process wordt weliswaar verschillend uitgewerkt in beide systemen, maar beoogt hetzelfde: recht doen aan individuele verdachten. Tegelijkertijd speelt het crime control model ook of juist in een (hoofdzakelijk) inquisitoir rechtssysteem een grote rol:
‘Due process and adversarial ideology (…) can work harmoniously together, whereas crime control values tend to subvert adversarial procedures. Indeed, with its emphasis on trusting the police and prosecution to get at the truth in a reliable manner, the crime control model expresses some of the ideological elements which underpin the inquisitorial model.’ (Sanders & Young, 2007: 22)
Ook zou Packer volgens Roach de belangen van burgers te smal hebben opgevat, aangezien Packer hen niet zou hebben beschouwd als (potentiële) slachtoffers van criminaliteit: ‘[Packer] did not imagine rights as a positive guarantee of security or equality or conceive the criminal sanction as a remedy required to respect the rights of victims and potential victims of crime.’ (1999: 692) Het is juist dat Packer geen algemene rechtvaardiging geeft van strafrechtelijke handhaving, bijvoorbeeld door op de belangen van slachtoffers te wijzen. Eerder staan in zijn theorie de dilemma’s centraal die het strafrecht (grotendeels) bepalen. Tegelijkertijd gaat Packer wel uit van strafvervolging, indien er een redelijke verwachting bestaat dat de verdachte van een strafbaar feit door de rechter zal worden veroordeeld en zelfs het due process model gaat niet uit van ‘the idea that it is not socially desirable to repress crime’ (1968: 163). Volgens Packer wordt met het due process model niet bedoeld het aan banden leggen van de strafrechtelijke handhaving. Zijn modellen geven verschillende standpunten over de beperkingen die aan het realiseren van strafrechtelijke handhaving door de overheid gesteld dienen te worden (vgl. Sanders & Young, 2007: 23). Vanuit de kritiek van Roach geredeneerd, rijst dan ook de vraag wat een meer expliciet slachtofferperspectief concreet zou hebben betekend voor Packers theorie (temeer omdat veel criminaliteit geen directe slachtoffers kent). Naar aanleiding van de besproken kritiek van Roach komt voor deze studie vooral de vraag op of de idee van een ‘activistische overheid’ herkenbaar is in de te onderzoeken opvattingen over strafrecht.
Zoals hierboven werd vermeld is Roach de enige auteur die alternatieven presenteert voor Packers theoretische modellen. Hij constateert dat Packers theorie nog geen invloed ondervond van de opkomst van de slachtofferbeweging, restorative justice en family of community -building. Alternatieven voor het strafrecht en slachtoffers van criminaliteit ontbreken volgens hem daardoor bij Packer. Om die reden formuleert Roach een alternatieve theorie.
Het ‘punitive model of victims’ rights’ van Roach beschrijft het strafproces als een ritje in de achtbaan, waarbij in een constante crisissfeer de rechten van slachtoffers en potentiële slachtoffers afgewogen moeten worden tegen de due process rechten van de verdachte. De crisissfeer legt de nadruk op (potentiële) slachtoffers en meer punitieve uitkomsten van de strafrechtspleging. Het ‘non-punitive model of victims’ rights’ stelt hij zich voor als een cirkel die succesvolle ‘nieuwe’ en ‘alternatieve’ reacties op criminaliteit symboliseren: de inzet van family/community building en restorative justice.
Hoewel Roach de belangen van slachtoffers introduceert in zijn modellen (waar Packer ze inderdaad niet noemde), is de essentie ervan nog altijd grotendeels op Packers theorie geïnspireerd. Ook bij Roach roept due process een spanningsveld op. Ditmaal niet zonder meer tot efficiënt strafrechtelijk reageren op criminaliteit (crime control): bij Roach is in zijn ‘punitive’ model ook sprake van een uitgesproken retributivistische benadering. Packers theorie wordt hier dus eigenlijk niet vervangen, hooguit aangevuld.
Bij Roach staan de in de vorige paragraaf besproken rechtvaardigingen van strafrechtelijk optreden centraal. Daarbij wordt retributie als een recht van onder meer slachtoffers voorgesteld in het ‘punitive’ model, en vormt een succesvolle inzet van family/community building en restorative justice daarvan de tegenhanger. De modellen van Roach gaan daarmee niet alleen over het strafproces, maar ook over mogelijkheden die daarbuiten liggen: in criminaliteitsbeleid in het algemeen en in alternatieven voor strafrecht. De slachtofferbeweging is daarop gedeeltelijk van invloed geweest, maar zoals in hoofdstuk 1 is vermeld gaat het om breder liggende maatschappelijke en politieke ontwikkelingen die de context voor de strafrechtspraktijk bepalen. Hierbij beoogt dit onderzoek aan te sluiten. De vraag is welke opvattingen naar voren komen binnen de belangrijkste strafrechtelijke instituties, gelet op het huidige criminaliteitsbeleid en het maatschappelijke klimaat waarbinnen gewerkt moet worden. Overeenkomstig de modellen van Roach is het theoretisch perspectief in dit onderzoek gericht op de rechtvaardigingen of doelen van straffen en op de theorie van Packer.
Veel auteurs bouwen voort op de analyse van Packer, door er kritiek op te leveren, deze te nuanceren of aan te vullen. Er zijn in de afgelopen decennia regelmatig kritische kanttekeningen bij geplaatst, echter het fundamentele spanningsveld waar Packer op wees is daarmee niet van tafel. In het navolgende worden nog enkele kritiekpunten, geformuleerde nuances en aanvullingen op Packers theorie besproken.
Packer raakt in de ogen van McBarnet (1983) te ver af van de wetgeving (‘law by the books’) als bepalende factor voor de strafrechtspleging. Volgens haar kan de wet zelf in tegenspraak zijn met breder liggende juridische principes of standaarden waarop deze gebaseerd zou moeten zijn: ‘[D]eviation from standards of justice are not merely the product of informalities and unintended consequences at the level of petty officials, but institutionalised in the formal law of the state.’ (1983: 8) Indien dit zich voordoet komt de vraag op in hoeverre wettelijk voorziene procedures daadwerkelijk een eerlijke procesgang opleveren voor de verdachte, hetgeen een fundamentele kritiek op Packer inhoudt. Bij law en order, due process en crime control gaat het in de visie van McBarnet soms om valse tegenstellingen, als de wettelijk voorziene procedure niet voldoet aan algemene juridische standaarden.3 Een prikkelende stelling, maar de vraag is in hoeverre de situatie die McBarnet beschrijft zich in de praktijk voordoet en of sprake is van tegenspraak tussen Nederlandse wetten onderling, of tegenspraak met Europees recht of internationaal verdragsrecht. Maar toetsing aan standaarden zoals door McBarnet bedoeld, is niet standaard in de rechtspraak en in een deel van de gevallen niet voorhanden (Van Kempen & Van de Voort, 2010). Dit sociaalwetenschappelijke onderzoek voorziet hier overigens ook niet in.
Een door Packer veronderstelde tegenstelling tussen due process en crime control heeft betrekking op snelheid: de ‘probably guilty’ worden zo snel en efficiënt mogelijk veroordeeld in het crime control model, waar het due process model de tijd neemt voor zorgvuldigheid en reflexiviteit. Op dit punt is veel kritiek gekomen. Van de Bunt (1985) concludeert op basis van zijn onderzoek onder Nederlandse officieren van justitie dat efficiëntie en de verwezenlijking van due process vaak geen tegenstelling vormen:
‘Het betrachten van een zekere mate van efficiëntie behoeft niet op ‘doelverplaatsing’ te duiden, maar is veeleer een integrerend onderdeel van het nemen van beslissingen. [Een officier van justitie] kan niet te lang bij een zaak stil blijven staan. Het is [zijn] zorg het complex van relevante feiten zodanig te reduceren dat zaken beslisbaar worden. (…) Dat betekent dat hij ernaar streeft met anderen (...) te komen tot een zekere werkovereenstemming om conflicten of onophoudelijke fundamentele discussies die tot onwerkbare situaties leiden te vermijden.’ (1985: 11-12)
Ashworth (1998) wijst erop dat het voorkomen van onredelijke vertraging voor de verdachte onderdeel dient uit te maken van een doordachte opvatting van due process: ‘Delays are also a source of considerable anxiety and inconvenience, and occasionally prolonged loss of liberty, to defendants. A properly developed notion of due process would surely insist that there be no unreasonable delay.’ (1998: 28) Ashworth & Redmayne (2005) achten het vooral vanwege deze kritiek zinvoller in plaats van met de due process waarden van Packer, de benodigde beperkingen in het strafproces te beschrijven aan de hand van fundamentele rechten4 (vgl. Sanders & Young, 2007: 27-28). Hoe nuttig dit ook moge zijn, de doelstelling van dit onderzoek is primair empirisch: nagegaan wordt in hoeverre Packers modellen ten grondslag liggen aan heersende opvattingen binnen de belangrijkste strafrechtelijke instituties in Nederland. Daarbij wordt in lijn met de kritiek van Ashworth rekening gehouden met het mogelijk optredende dilemma betreffende de rechtsbescherming van verdachten, namelijk dat (meer) aandacht hiervoor mogelijk tot onredelijke vertraging van het strafproces voor de verdachte leidt.
Kritiek op Packer komt verder onder meer van Choongh (1997). Hij zag in Zuid-Engeland dat de politie onrechtmatige arrestaties uitvoerde, met als beoogde doel crime control. Volgens hem ontbreekt in Packers analyse van het strafrecht dat een (te grote) nadruk op crime control in de uitvoering kan leiden tot misbruik van wettelijke bevoegdheden: de crime control ideologie geeft volgens hem aanleiding tot onrechtmatig handelen door de politie. Sanders & Young vinden deze kritiek onterecht: ‘Choongh’s work highlights an important strand of crime control ideology, [it] does not justify the construction of a new model of the criminal process.’ (2007: 25) De observaties van Choongh sluiten met andere woorden goed aan bij enkele elementen van het crime control model.5
Er zijn auteurs die zonder naar Packer te verwijzen toch uitgaan van het spanningsveld zoals hij dat uitwerkte. Daarbij wordt bijvoorbeeld gebruik gemaakt van begrippen als: instrumentalisering van wetgeving (Kelk, 1987), instrumentaliteit en rechtsbescherming (Foqué & ’t Hart, 1990). Dergelijke voorbeelden geven de relevantie aan van Packers analyse voor deze studie. De besproken kritiek doet daaraan uiteindelijk geen afbreuk. Niettemin zijn er wel andere nuttige invalshoeken. Zo wordt de mogelijkheid om rechtvaardigheid te realiseren door een formalistische interpretatie van juridische kaders geproblematiseerd. Sykes (1986) stelt street justice tegenover formele, juridische rechtvaardigheid en meent dat daaraan soms andere eisen worden gesteld. Op een soortgelijk spanningsveld wijzen ook begrippen als formele en materiële rechtvaardigheid (De Groot-van Leeuwen, 1991), en rechtvaardigheid en veiligheid (Plancken, Nap & Peters, 2015).