Stille getuigen
Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.7.7:2.7.7 Artikel 80a ro
Stille getuigen 2015/2.7.7
2.7.7 Artikel 80a ro
Documentgegevens:
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 juli 2014, NJ 2014, 441, r.o. 2.75.
HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3113. Zie ook HR 30 september 2014, NJ 2014, 450.
Zie daarover de noot van Spijkerman onder HR 4 november 2014, NS 2014, 263.
Zie § 2.4.2 van hoofdstuk 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer een klacht over schending van het ondervragingsrecht op zichzelf terecht is voorgesteld, is het mogelijk dat de Hoge Raad het cassatieberoep desalniettemin niet-ontvankelijk verklaart wegens gebrek aan belang. Artikel 80a RO biedt daarvoor de grondslag. Ten aanzien van klachten over de afwijzing van getuigenverzoeken heeft de Hoge Raad in zijn standaardarrest uit 2014 bepaald dat de verdediging in haar cassatieschriftuur moet aangeven waarom zij belang heeft bij haar klacht.1 Het is op grond van deze regeling mogelijk dat een gerechtshof een regel over het ondervragingsrecht onjuist heeft toegepast en een cassatiemiddel daarom op zichzelf terecht is voorgesteld, maar het bestreden arrest van het gerechtshof desondanks in stand blijft. Dit was het geval in een recent arrest. Het gerechtshof had onvoldoende gemotiveerd waarom de verdediging niet in haar belangen werd geschaad door afwijzing van het verzoek. Dat leidde echter niet tot cassatie. De Hoge Raad overwoog dat in de cassatieschriftuur geen bezwaar was gemaakt tegen de vaststelling van het gerechtshof dat de bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate op de verklaring van de niet door de verdediging gehoorde getuige was gebaseerd. Daarom had de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij zijn klacht in cassatie over de motivering van de afwijzing van het getuigenverzoek.2
De Hoge Raad beoordeelt klachten over de afwijzing van getuigenverzoeken en klachten over het gebruik voor het bewijs van niet door de verdediging ondervraagde getuigen doorgaans separaat. In § 7.4.1 heb ik bijvoorbeeld aangegeven dat de vraag of een goede reden heeft bestaan voor de afwijzing van een getuigenverzoek door de Hoge Raad – anders dan door het ehrm – niet wordt betrokken bij de beoordeling van het gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs. In de hiervoor besproken zaak was de getuigenverklaring niet van beslissende betekenis. Zou over deze zaak in Straatsburg worden geklaagd, dan zou het ehrm vermoedelijk aannemen dat de verdachte wezenlijk nadeel heeft geleden door de afwijzing van het getuigenverzoek in de zin van artikel 35 lid 3 sub b evrm. Mede op grond van de getuigenverklaring is de verdachte namelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf. Het ontbreken van een goede reden zou vervolgens voldoende grond kunnen opleveren om het ondervragingsrecht geschonden te achten.3 Daarvoor is immers niet vereist dat de getuigenverklaring van beslissende betekenis is. Had het gerechtshof ook zonder de getuigenverklaring tot een bewezenverklaring kunnen komen – wat op grond van de in het arrest genoemde feiten niet goed kan worden beoordeeld – dan zou het ehrm echter zeker geen schending vaststellen.4