Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.7.5
2.7.5 De beperkte reikwijdte van het standaardarrest
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 februari 1994, NJ 1994 427, r.o. 6.3.2-6.3.3, herhaald in HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145. Beperkt anonieme getuigen vallen wél onder de werking van het arrest, omdat zij naar Nederlands recht niet worden aangemerkt als personen wier identiteit niet blijkt in de zin van artikel 344a Sv. Zie Kamerstukken II 1991/92, 22 483, nr. 3 (MvT), p. 38.
HR 6 juni 2006, NJ 2006, 333, r.o. 4.6. Vgl. EHRM 27 juni 2000, appl.no. 43286/98 (dec.) (Echeverri Rodriguez/Nederland), p. 8: ‘the Court considers that the Convention does not preclude reliance, at the investigating stage, on information obtained by the investigating authorities from sources such as foreign criminal investigations. Nevertheless, the subsequent use of such information can raise issues under the Convention where there are reasons to assume that in this foreign investigation defence rights guaranteed in the Convention have been disrespected.’
Onderdeel 4.8 van de conclusie van AG Knigge bij HR 24 januari 2012, NJ 2012, 84. De Hoge Raad heeft zich hier niet over uitgelaten. In deze zaak betrof het overigens de vraag of de rechter de getuige ambtshalve had moeten oproepen. De regels daarover hebben eveneens betrekking op tijdens het onderzoek ter terechtzitting afgelegde getuigenverklaringen.
HR 2 september 1997, NJ 1998, 101.
HR 14 mei 1996, NJ 1996, 645, r.o. 5.3. Zie daarover § 3.4 van hoofdstuk 6.
Zie daarover uitvoeriger § 3.4 van hoofdstuk 3.
Vgl. onderdeel 4.8 van de conclusie van AG Knigge bij HR 24 januari 2012, NJ 2012, 84. Daar staat tegenover dat ook kan worden betoogd dat een bij de politie afgelegde verklaring betrouwbaarder kan zijn omdat deze sneller na het waargenomen feit is afgelegd.
Dat de regels rond ambtshalve oproeping inderdaad niet van toepassing zijn wanneer de getuigenverklaring bij de rechter-commissaris is afgelegd, is expliciet bevestigd HR 2 september 1997, NJ 1998, 101, r.o. 5.5.
Het komt niet vaak voor dat een getuige bij de rechter-commissaris wordt gehoord terwijl de verdediging daarvoor niet wordt uitgenodigd. Bovendien wordt in dat geval de eerder bij de politie afgelegde verklaring dikwijls voor het bewijs gebruikt.
HR 20 mei 2003, NJ 2003, 672; HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145, r.o. 3.4.
HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145, r.o. 3.3.3.
Onderdeel 15 van de conclusie van AG Jörg bij HR 6 april 2010, NJ 2010, 218. De Hoge Raad ging niet in op dit onderdeel van het middel.
Het hiervoor genoemde beslismodel is van toepassing op tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde en ‘in ambtsedige processen-verbaal vervatte verklaringen’ van niet-anonieme getuigen.1 Praktisch betekent dit dat alleen getuigenverklaringen die in processen-verbaal van opsporingsambtenaren zijn opgenomen, moeten worden beoordeeld volgens de regels van het beslismodel. In de zaak Vidgen had de getuige zijn betwiste verklaringen afgelegd tegenover de Duitse politie. Deze omstandigheid stond niet in de weg aan de toepassing van het beslismodel.2 AG Knigge meende in een conclusie bij een andere zaak dat een verklaring die ten overstaan van de Belgische politie was afgelegd terwijl het onderzoek ter terechtzitting al was aangevangen, ook als een tijdens het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring moest worden aangemerkt.3
Allerlei soorten getuigenverklaringen vallen buiten het toepassingsbereik van NJ 2013, 145. Dat geldt bijvoorbeeld ten aanzien van getuigenverklaringen die bij de rechter-commissaris zijn afgelegd.4 De Hoge Raad paste echter wel een equivalent van een van de onderdelen van het beslismodel toe in een zaak waarin een getuigenverklaring bij een rechter-commissaris was afgelegd: het ondervragingsrecht was voldoende gerespecteerd, omdat de getuigenverklaring ‘steun’ vond in andere bewijsmiddelen.5
De regels zijn evenmin van toepassing wanneer een proces-verbaal niet op ambtseed is opgemaakt. Een inhoudelijke reden lijkt daaraan niet ten grondslag te liggen. Wanneer een proces-verbaal niet op ambtseed is opgemaakt, zou dat immers des te meer reden moeten opleveren om de getuige te ondervragen. Ook allerlei andere getuigenverklaringen vallen buiten de werking van het arrest Grenzen getuigenbewijs. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de brief die een getuige aan de politie schrijft.
De Hoge Raad heeft zijn overwegingen uitdrukkelijk geplaatst in de context van artikel 6 lid 3 sub d evrm. Hij lijkt daarmee de intentie te hebben gehad de ehrm-jurisprudentie te implementeren in het Nederlandse strafrecht. De gekozen afbakening volgt echter niet uit de ehrm-jurisprudentie. Het is de vraag waarom de Hoge Raad desondanks voor een beperkte reikwijdte heeft gekozen.
Een inhoudelijke reden om de reikwijdte van de regels beperkt te houden, zou kunnen worden gevonden in de regels met betrekking tot verplichte ambtshalve oproeping van getuigen, die eveneens in NJ 1994, 427 en NJ 2013, 145 zijn opgenomen.6 In bepaalde gevallen, waaronder het geval waarin een beslissende getuige zijn belastende verklaring ten overstaan van een rechter heeft ingetrokken, kan worden getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de verklaring en moet de rechter een getuige daarom uit eigen beweging oproepen. Verklaringen die bij de politie worden afgelegd zouden kunnen worden aangemerkt als potentieel minder betrouwbaar dan verklaringen die ten overstaan van een onpartijdige en onafhankelijke rechter worden afgelegd.7 De Hoge Raad kan dat als argument hebben gebruikt om de regels met betrekking tot ambtshalve oproeping niet van toepassing te achten op getuigenverklaringen die zijn vastgelegd in processen-verbaal van rechters- commissarissen.8 Om een nóg ingewikkelder arrest te vermijden en om alle voor de processen-verbaal van opsporingsambtenaren geldende regels in één arrest te kunnen noemen, heeft de Hoge Raad er mogelijk voor gekozen de gevallen waarin de regels van toepassing zijn, te beperken
Hoewel de beperkte reikwijdte op deze inhoudelijke grond zou kunnen worden verklaard, vermoed ik dat deze grond niet doorslaggevend is geweest voor de Hoge Raad. In het arrest Grenzen getuigenbewijs heeft de Hoge Raad regels gegeven ‘voor zover dit past in de onderhavige zaak.’ In deze zaak was de getuigenverklaring daadwerkelijk in een ambtsedig procesverbaal opgenomen en dat is in het gros van de zaken het geval.9 Het is dus goed mogelijk dat de feiten en omstandigheden in de desbetreffende zaken doorslaggevend zijn geweest voor de wijze waarop de regels zijn geformuleerd. Daarbij heeft de Hoge Raad zijn vingers wellicht niet willen branden aan een algemene regeling zolang de benadering van het ehrm ten aanzien van bijzondere situaties niet duidelijk was. Bevestiging voor deze benadering kan worden gevonden in de overwegingen met betrekking tot compenserende maatregelen. De Hoge Raad heeft tot nu toe nooit in het algemeen aangegeven dat bij onvoldoende steunbewijs een getuigenverklaring voor het bewijs magworden gebruikt wanneer voldoende compensatie is geboden. Hij heeft – opmerkelijk genoeg wel in algemene overwegingen – slechts geoordeeld dat compensatie kan worden aangenomen bij weigerachtige getuigen en bij zedenzaken met minderjarige slachtoffers.10 Ook ten aanzien van de kwaliteit van de ondervraging heeft de Hoge Raad zich casuïstisch uitgelaten: hij heeft slechts overwogen dat geen sprake is geweest van een ondervragingsgelegenheid wanneer de getuige heeft geweigerd de vragen van de verdediging te beantwoorden.11 Er kunnen zich echter meer situaties voordoen waarbij een ondervragingsgelegenheid niet als behoorlijk en effectief kan worden bestempeld, bijvoorbeeld wanneer de rechter antwoorden op belangrijke vragen heeft belet.
Het is goed mogelijk dat de Hoge Raad precies dezelfde regels over het ondervragingsrecht zou toepassen wanneer hij zou moeten oordelen over een situatie die buiten de reikwijdte van NJ 2013, 145 valt. In een conclusie heeft AG Jörg aangegeven dat hij geen reden zag om die regels niet van toepassing te achten in een zaak waarin de getuige een medeverdachte was, terwijl hij zijn verklaring had afgelegd tijdens de zitting in zijn eigen zaak. Deze verklaring werd voor het bewijs tegen de verdachte gebruikt in de vorm van het proces-verbaal van de zitting.12