Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/2.7.1
2.7.1 Algemeen
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Een beknopt overzicht van deze regels wordt gegeven in § 3.3 van hoofdstuk 4.
De afwijzingsgronden worden besproken in § 3.2 van hoofdstuk 5.
HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145.
Dit is bijvoorbeeld gebeurd in HR 29 januari 2013, NJ 2013, 145. In HR 17 november 2009, NJ 2010, 191 betrok de Hoge Raad de vraag of de getuigenverklaring voor het bewijs mocht worden gebruikt echter bij de beoordeling of het gerechtshof het getuigenverzoek had mogen afwijzen, hoewel over het gebruik voor het bewijs afzonderlijk was geklaagd en voor de beantwoording van de vraag of de rechter het verzoek mocht afwijzen het gebruik voor het bewijs niet relevant is.
Van Dorst 2012, p. 97-98. Alleen in bijzondere gevallen zal de Hoge Raad ambtshalve casseren. Zie daarover Van Dorst 2012, p. 102-104.
In het Nederlandse ondervragingsrecht wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen twee soorten regels. Enerzijds kent het Wetboek van Strafvordering regels die betrekking hebben op de oproeping van getuigen tijdens het onderzoek ter terechtzitting en regels die de wijze van ondervraging regelen.1 Op grond van deze regels kan de verdediging verzoeken om een getuige ter zitting te laten oproepen. Officieren van justitie en rechters hoeven echter niet altijd gevolg te geven aan dergelijke verzoeken. Zij zijn gerechtigd de oproeping te weigeren op de in de wet genoemde gronden.2
Anderzijds bestaan regels die het gebruik van getuigenverklaringen voor het bewijs regelen in gevallen waarin de verdediging de getuige niet kon ondervragen. Wanneer de verdediging een belastende getuige niet heeft kunnen ondervragen – doorgaans omdat een ondervragingsverzoek is afgewezen – heeft dat niet automatisch tot gevolg dat de eerder door de getuige afgelegde verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt. NJ 2013, 145 vormt de basis voor de beoordeling of de verklaring als bewijsmiddel magworden gebruikt ondanks het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid.3
In cassatie kan afzonderlijk worden geklaagd over het afwijzen van een getuigenverzoek en over het gebruik van de verklaring van de niet door de verdediging ondervraagde getuige voor het bewijs.4 Het uitgangspunt van de Hoge Raad is dat het arrest van een gerechtshof alleen wordt gecasseerd wanneer in een cassatiemiddel over de onjuiste toepassing van het recht is geklaagd.5 Schending van een regel met betrekking tot het ondervragingsrecht zal dan ook alleen tot cassatie leiden wanneer specifiek is geklaagd over onjuiste toepassing van die regel.