Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/7.2.1
7.2.1 Beslissen op basis van niet vaststaande feiten
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS355910:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Hof ’s-Gravenhage 21 oktober 2009, JAR 2010/15; Rb. Zeeland-West-Brabant 24 juni 2013, RAR 2013/154; Ktr. Haarlem 16 maart 2011, RAR 2011/83; Ktr. Maastricht 9 december 2010, LJN BO6759; Ktr. Alkmaar 12 oktober 2010, JAR 2010/299; Ktr. Utrecht 19 juli 2010, LJN BX3475; Ktr. Nijmegen 2 juli 2010, JAR 2010/224; Ktr. Amersfoort 2 april 2010, LJN BN3567; Ktr. Arnhem 30 maart 2010, ECLI:NL:RBARN: 2010:BM3490; Ktr. Utrecht 12 februari 2008, RAR 2008/95; Ktr. Nijmegen 3 maart 2005, JAR 2005/72; Ktr. Bergen op Zoom 23 augustus 2004, RAR 2005/8; Ktr. Amsterdam 16 april 2004, JAR 2004/121; Ktr. Middelburg 16 oktober 2003, JAR 2004/142; Ktr. Amsterdam 17 juli 2001, JAR 2001/162. Vgl. Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 4, p. 43.
Vgl. Visser 2004.
Concl. A-G Huydecoper bij HR 18 juni 2004, JAR 2004/168. Vgl. ook concl. A-G Spier bij HR 27 april 2001, JAR 2001/95 en HR 14 februari 2003, JAR 2003/72.
Zie Ktr. Alkmaar 30 maart 1994, Prg. 1994, nr. 4104.
Zie hierover § 4.4.2.
Zie bijv. HR 31 maart 1995, NJ 1995, 495; Rb. ’s-Gravenhage 1 maart 2000, JAR 2000/98; Rb. Amsterdam 11 juli 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:4515; Rb. Maastricht 8 januari 2009, RAR 2009/44; Ktr. Hilversum 29 augustus 2008, JAR 2008/264; Ktr. Delft 11 oktober 2007, RAR 2008/12; Ktr. Groningen 3 augustus 2007, JAR 2008/80; Ktr. Hilversum 28 september 1995, Prg. 1995, 4409; Ktr. Rotterdam 8 juli 1993, Prg. 1993, 3952; Ktr. Zaandam 15 april 1993, Prg. 1994, 4085. Vgl. Bouwens 2004, p. 180.
Verhulp 2003a.
Ktr. Utrecht 12 februari 2008, RAR 2008/95. Vgl. ook Ktr. Haarlem 16 maart 2011, RAR 2011/83; Ktr. Rotterdam 14 februari 1994, JAR 1994/58.
Vgl. Dijk 1997.
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26 855, nr. 3, p. 158.
Vgl. Ynzonides 2000, p. 346; Kroeks 2000; Kuip 2002, p. 41; Visser 2004.
Regelmatig overwegen kantonrechters dat er in de ontbindingsprocedure geen plaats is voor het leveren van nader (getuigen-)bewijs.1 Dit kan ertoe leiden dat de beslissing over het al dan niet beëindigen van de arbeidsverhouding wordt genomen op basis van niet of niet voldoende geverifieerde feiten.2 In de woorden van Advocaat Generaal Huydecoper:
‘In het kader van een dergelijke procesgang laat zich heel goed denken dat complexe en gedetailleerde feitelijkheden waarop partijen zich beroepen, door de rechter beoordeeld (moeten) worden als niet vatbaar voor opheldering binnen die context; met als gevolg dat de betreffende feitelijkheden als niet-vaststaand (moeten) worden aangemerkt.’3
De waarheid kan daardoor niet altijd boven tafel komen. Gedacht kan worden aan de kantonrechter die stelt dat er geen getuigen gehoord kunnen worden in de ontbindingsprocedure waarin de werknemer frauduleus handelen wordt verweten vanwege ontstane kasverschillen. Hoewel de kantonrechter geen nader onderzoek wil doen naar de verdenkingen door de werkgever, ontbindt de kantonrechter desondanks de arbeidsovereenkomst vanwege een verstoorde vertrouwensrelatie.4 Deze constructie zien we vaak terugkomen bij het voorwaardelijk ontbindingsverzoek5 na een ontslag op staande voet. Wanneer de dringende reden in de ontbindingsprocedure niet komt vast te staan – omdat de kantonrechter meent dat de ontbindingsprocedure zich niet leent voor een nader onderzoek of het leveren van nader getuigenbewijs – wordt in dit soort zaken toch vaak ontbonden op grond van veranderingen in de omstandigheden, zonder of met slechts een bescheiden vergoeding.6 De rechter lijkt hier het spreekwoord toe te passen 'waar rook is, is vuur'. Om die reden wordt wel beweerd dat de werkgever het ontslag op staande voet als tactisch middel kan gebruiken.7 Overigens, zijn er ook kantonrechters die anders oordelen. Zo oordeelde de kantonrechter Utrecht in een voorwaardelijke ontbindingsbeschikking van 12 februari 2008, dat de wijziging in de omstandigheden niet gelegen mag zijn in de aangevoerde argumenten voor de dringende reden.8 De omstandigheid dat er een vermoeden van een dringende reden bestaat aan de zijde van de werknemer, vormt onvoldoende reden om te ontbinden wegens een verstoorde vertrouwensrelatie. Het is volgens de kantonrechter onbillijk om in het kader van een ontbindingsverzoek de niet voldoende vaststaande of niet genoegzaam aannemelijke grond of gronden ter zake van een dringende reden toch (een beetje) mee te laten wegen bij de grond van veranderingen in de omstandigheden en vervolgens de arbeidsovereenkomst te laten eindigen.
Het hoeft geen betoog dat het beslissen op basis van niet vaststaande feiten, kan leiden tot feitelijk onjuiste uitspraken door de kantonrechter, hetgeen afbreuk doet aan de rechtsbescherming van partijen. Daarbij moet bovendien bedacht worden dat tegen een inhoudelijke onjuiste ontbindingsbeschikking geen hoger beroep mogelijk is, waarbij nader bewijs kan worden geleverd en omissies hersteld kunnen worden.9
Het voorgaande roept de vraag op of de wetgever (en de Hoge Raad) daadwerkelijk alle ontbindingsprocedures categorisch hebben willen uitsluiten van de toepassing van het wettelijk bewijsrecht. Of valt op basis van de wet en jurisprudentie ook een ander standpunt te betogen? Zoals gezien in paragraaf 3.5 refereert de wetgever bij art. 284 Rv met betrekking tot de uitzondering op de toepasselijkheid van het wettelijk bewijsrecht aan 'spoedeisende art. 7:685 BW-procedures'.10 Wat betekent dit nu precies? Is de ontbindingsprocedure per definitie spoedeisend en is daardoor de kantonrechter niet gebonden aan het wettelijk bewijsrecht, of moet per zaak worden bekeken of het spoedeisende karakter daarvan aan de toepassing van het bewijsrecht in de weg staat?11