Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/6.2.1
6.2.1 Standpuntbepaling in de vorm van een toezegging
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685455:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, AB 2019/302 (Dakterras), rov. 11.2.
CRvB 15 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:955. Zie ook CRvB 18 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4164; CRvB 3 juli 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1377; CRvB 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559, AB 2021/46; ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1128, JB 2020/134; CRvB 27 mei 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1143, AB 2020/354; ABRvS 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2569 en CRvB 2 februari 2021, ECLI:NL:CRVB: 2021:288. Zie par. 4.3. Deze kenmerken komen overeen met de toezegging in het civiele recht.
ABRvS 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1584, AB 2017/238.
Hoewel de marktbeheerder niet het algemeen bestuur is, maakt de Afdeling daar kennelijk geen punt van.
ABRvS 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3627, AB 2016/417. Zie bijv. ook ABRvS 31 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL9584. De bestuursrechter onderzoekt de formulering van de brief nauwkeurig: CRvB 3 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2643, AB 2014/175; ABRvS 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3018; ABRvS 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3016 en Rb. Oost-Brabant 1 juni 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2739; ECLI:NL:RBOBR:2018:2740 en ECLI:NL:RBOBR:2018:2741.
Zie voor een ander geslaagd beroep, ondanks derden die hadden verzocht om handhaving ABRvS 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2577, JB 2018/157. De derdebelangen waren van onvoldoende gewicht. Zie bijv. ook CRvB 21 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2263, waar appellant gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een brief van de staatssecretaris over een budgetgarantie.
ABRvS 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1128, JB 2020/134.
ABRvS 6 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1185, AB 2020/311.
Zie eerder par. 3.5.
ABRvS 25 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3627, AB 2016/417. Zie voor voorbeelden van bewijsproblemen naar aanleiding van telefonisch en mondeling contact ABRvS 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1705, AB 2017/40; CRvB 13 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:774; CBb 4 augustus 2016, ECLI:NL:CBB:2016:240, AB 2016/433; CRvB 24 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4495, AB 2017/42; CRvB 23 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4791, AB 2017/39; CRvB 27 september 2017, ECLI:NL:CRVB: 2017:3333, AB 2018/167 en ABRvS 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1200. Zie ter vergelijking bijv. een vergeefs beroep op telefonische inlichtingen in Rb. Gelderland 28 januari 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:372.
Zie bijv. ABRvS 5 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1838, rov. 2.1.
Om aan te nemen dat een toezegging is gedaan, dient degene die zich beroept op het vertrouwensbeginsel aannemelijk te maken dat sprake is van uitlatingen of gedragingen van een overheidsfunctionaris die bij hem redelijkerwijs de indruk hebben gewekt dat het bestuur in zijn geval een bevoegdheid al dan niet zal uitoefenen.1 Kenmerken van een toezegging zijn haar eenzijdige en persoonsgebonden karakter en haar concrete bewoordingen gericht op een specifieke situatie.2
Het ‘standaardvoorbeeld’ van een bestuursrechtelijke toezegging waaraan een betrokkene vertrouwen kan ontlenen is een op schrift gestelde uitlating waarin een bestuursorgaan uiteenzet wat het in het concrete geval van een betrokkene zal besluiten. Zo gaat een Afdelingsuitspraak uit 20173 over de afwijzing door het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam van het verzoek van appellant tot vergroting van zijn vaste plaats op de Albert Cuypmarkt. Door de marktbeheerder4 was in twee brieven aan de vaste standplaatshouders medegedeeld dat zij (mits zij voldoen aan enkele voorwaarden) de kans krijgen hun vaste plaats te vergroten. Op basis hiervan verzochten standplaatshouders om vergroting van hun standplaats. In een latere brief van de marktbeheerder werden de standplaatshouders geïnformeerd dat het toch niet meer mogelijk is om in aanmerking te komen voor een vergroting. De Afdeling oordeelt dat de brieven een concrete en ondubbelzinnige toezegging behelzen. In de brieven zijn slechts twee voorwaarden voor toewijzing genoemd: de vaste standplaatshouder staat naast een sollicitantenplaats en er dienen minimaal 21 sollicitantenplaatsen vrij te blijven. Aan de brieven mocht appellant – nu hij aan de gestelde voorwaarden voldoet – de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat een vaste standplaatshouder zoals hij, zijn standplaats kan vergroten.
Een ander voorbeeld van de ‘kracht van de brief’ wordt gevonden in een Afdelingsuitspraak uit 2015.5 Appellante had brieven ontvangen van het college van B&W waarin stond dat haar zomerhuisje onder het overgangsrecht valt en zij daarvan gebruik mag maken voor overnachting gedurende een korte periode. Appellante kon aan die brieven gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat het college niet handhavend zou optreden indien zij slechts sporadisch gebruik zou maken van het zomerhuisje.6
Een op schrift vastgelegde uitlating van het college hielp appellant in een Afdelingsuitspraak uit 2020 eveneens.7 Hij voert aan dat het college heeft toegezegd dat aan zijn perceel een woonbestemming zou worden toegekend. In overgelegde brieven staat onder andere:
“Wij zullen dan ook medewerking verlenen aan de wijziging van de bestemming van ‘Agrarisch-Glastuinbouw’ naar ‘Wonen’ wanneer hiertoe een concreet verzoek wordt ingediend.”
En
“In tegenstelling tot het gestelde in de brief van 9 maart 2017 zal het college in lijn van het vorenstaande (bestuurlijke toezegging) besluiten medewerking te verlenen aan de wijziging van de bestemming van de woning (…).”
De Afdeling is van oordeel dat deze uitlatingen over een woonbestemming op het perceel zijn aan te merken als een toezegging.
In een andere zaak mocht betrokkene gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen aan uitlatingen van een medewerker Vergunningverlening van de gemeente nadat hij had gevraagd of voor het bouwen van een garage een omgevingsvergunning nodig was.8 In een e-mailbericht afkomstig van de betreffende medewerker staat:
“M.i. kun je het nieuwe bijgebouw zonder vergunning oprichten. Ik heb de tekeningen aan de landelijke wetgeving voor vergunningvrij bouwen getoetst. Het bijgebouw voldoet aan artikel 2 lid 3 onder b van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.”
Ik merk op dat de hierboven weergegeven bewoordingen een deels persoonlijk oordeel van de ambtenaar suggereren. Opnieuw kan de uiteindelijke kwalificatie van een uitlating wat willekeurig lijken.9
De bestuursrechter beoordeelt bij een beroep van de fidens op een toezegging of het bestuursorgaan een belofte heeft gedaan over de uitoefening van zijn bevoegdheid in een concreet geval. Een belanghebbende heeft de gunstigste bewijspositie indien hij zich kan beroepen op een schriftelijke uitlating10 waarin het bevoegde bestuursorgaan uiteenzet op welke wijze het in het geval van belanghebbende zijn bevoegdheden zal uitoefenen. Een toezegging is in de bestuursrechtspraak nog steeds de archetypische vertrouwenwekkende uitlating.11