Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/9.3.2
9.3.2 Theoretisch kader voor het vaststellen van onrechtmatigheid informatieverstrekking: Van Zoggel en waarheidsplichten
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685379:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 6.2.
Par. 8.2.
Par. 4.4.
Rb. ’s-Gravenhage 8 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6438, rov. 4.4; Rb. ’s-Gravenhage 19 september 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BZ0236, rov. 4.2; Hof Arnhem-Leeuwarden 3 december 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:9186, rov. 5.3 en Rb. Gelderland 29 januari 2014, ECLI:NL:RBGEL:2014:1553, rov. 3.6. Van de Sande 2019a, hoofdstuk 4 meent dat de rechter eerst moet onderzoeken of de informatie onjuist of onvolledig is via een uitleg aan de hand van de wilsvertrouwensleer en daarna een vertrouwenstoets op grond van de onrechtmatige daad moet toepassen. Dit lijkt mij nodeloos complex, zeker nu de wilsvertrouwensleer slechts geldt voor rechtshandelingen, zodat bij overheidsaansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking niet van partijbedoelingen kan worden gesproken. Vgl. Jansen 2019, voetnoot 44. Ik leg Van Zoggel zo uit, dat sprake is van één toets waarin de vraag moet worden beantwoord of de overheid onrechtmatig heeft gehandeld door het verstrekken van onjuiste informatie waarop de burger onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht vertrouwen. Het gaat dan om een schending van een waarheidsplicht (par. 3.5).
Zie o.a. De Kok 2003; de conclusie van A-G Keus, ECLI:NL:PHR:2009:BI1130, onder 2.19 voor HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1130 en de conclusie van A-G Spier voor HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, NJ 2012/340 (’s-Hertogenbosch/Van Zoggel), onder 4.19.
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, NJ 2012/340 (’s-Hertogenbosch/Van Zoggel).
HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW0219, NJ 2012/340, rov. 3.5.1. Interessant is een arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 8 september 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:7018, waarin onder andere de vraag aan de orde was of de civiele rechter ook moet toetsen aan het in de bestuursrechtspraak ontwikkelde kader van de toetsing aan het vertrouwensbeginsel (rov. 4.16). Het hof overweegt dat de civiele rechter op zichzelf niet gebonden is aan beslissingen van de bestuursrechter maar betrekt desalniettemin ook het door de Afdeling gehanteerde toetsingskader in zijn overwegingen.
In het geval van ongerichte informatieverstrekking en niet op verzoek verstrekte informatie geldt als vuistregel dat niet snel sprake zal zijn van gerechtvaardigd vertrouwen op die informatie. Zie ook Van de Sande 2019a, p. 250 en Jansen 2019, voetnoot 42. In Hof Arnhem-Leeuwarden 5 maart 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ3275, rov. 2.16 stelt het hof nadrukkelijk aan de orde of het Van Zoggel-arrest ook geldt bij het ambtshalve geven van inlichtingen. Zie ook Rb. Amsterdam 17 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3565, rov. 4.11 waarin wordt overwogen dat de fidens wist dat de informatie onvolledig was, zodat de vraag of de gemeente uit eigen beweging nadere informatie had moeten verstrekken niet moet worden beantwoord aan de hand van het Van Zoggel-criterium.
Zie eerder al bijv. Hof Amsterdam 22 maart 1984, ECLI:NL:GHAMS:1984:AC8353, NJ 1985/297, rov. 4.14-4.22, waarin mw. Spierings door onjuiste inlichtingen in een onjuiste veronderstelling ten aanzien van haar recht op uitkering in het huwelijk was getreden als gevolg waarvan zij haar uitkering verloor. “De betrokken medewerkers waren dus onzorgvuldig en handelden, al waren zij te goeder trouw, onrechtmatig. Zij bonden mogelijk de BV niet in die zin dat de BV verplicht was de uitkering voort te zetten -daarover oordeelt de gewone rechter niet -maar wel in die zin dat hun gedrag de BV aansprakelijk maakt en tot vergoeding van de schade verplicht.”
Relativiteit moet worden vastgesteld ten aanzien van de benadeelde, geleden schade en de wijze waarop schade is ontstaan. In paragraaf 9.6 ga ik nader in op het relativiteitsvereiste.
Er kunnen uiteraard ook op een burger plichten (zowel tot het verschaffen van informatie als tot het verrichten van onderzoek) rusten, maar ik analyseer primair de mogelijkheden van de burger om de overheid aansprakelijk te stellen. Ik merk opnieuw op (zie eerder par. 3.5.2) dat het niet gaat om een verbod om te liegen, maar om een gebod tot het verstrekken van juiste en volledige informatie door een concrete verplichting die op de overheid rust tot zorgvuldige informatieverstrekking.
Jansen 2012, p. 389-390 en par. 3.5.
In het bestuursrechtelijke deel van mijn onderzoek heb ik geconstateerd dat om gerechtvaardigd vertrouwen te kunnen ontlenen aan een overheidsuitlating, zij in beginsel expliciet en ongeclausuleerd moet zijn en gericht op de aanwending van een bestuursrechtelijke bevoegdheid in een concrete situatie.1 Dezelfde kenmerken hadden de overheidsuitlatingen op basis waarvan een rechtsgeldige rechtshandeling kon worden aangenomen uit het vorige hoofdstuk.2 Een uitlating moest bovendien afkomstig zijn van een persoon die namens het overheidslichaam rechtshandelingen kan aangaan.
Inlichtingen zijn feitelijke handelingen3 en zij kunnen worden verstrekt in een veelheid aan situaties. Een burger kan contact zoeken met de overheid wegens een concrete vraag of verzoek. Tussen burger en overheid kan tevens informatie-uitwisseling plaatsvinden in het kader van contractuele onderhandelingen of publiekrechtelijke besluitvorming. Ook kan een overheid uit zichzelf – al dan niet via elektronische weg – informatie verstrekken. Het is telkens van de concrete omstandigheden van het geval afhankelijk of op de overheid in het individuele geval een waarheidsplicht rust als gevolg waarvan de gerechtvaardigde verwachting kon ontstaan dat de informatie juist was en de burger zijn gedrag op die informatie mocht afstemmen. 4
Om een schending van de maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm aan te nemen is niet voldoende dat sprake is van onjuistheid of onvolledigheid van informatie.5 Daarvoor zijn bijkomende omstandigheden en feiten vereist.
Voor de beoordeling of sprake is van overheidsaansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking geldt sinds 2012 de maatstaf uit het Van Zoggel-arrest.6 In die procedure ging het om de vraag of de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door onjuiste inlichtingen te verstrekken over de onder een bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden. De Hoge Raad overweegt in zijn arrest over de onrechtmatigheid van de door de gemeente gegeven inlichtingen:
“Het antwoord op die vraag [de vraag of sprake is van onrechtmatige informatieverstrekking, NvT] hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder in de eerste plaats de inhoud van het gedane verzoek en hetgeen de gemeente daaromtrent heeft moeten begrijpen, en de aard en inhoud van de door de gemeente in antwoord daarop gegeven inlichtingen en hetgeen de belanghebbende daaromtrent heeft moeten begrijpen. Eerst indien de belanghebbende in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs erop heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven, kan plaats zijn voor het oordeel dat het verstrekken van die inlichtingen, indien deze onjuist of onvolledig zijn, onrechtmatig is jegens de belanghebbende en dat de gemeente deswege jegens de belanghebbende aansprakelijk is doordat deze door die onjuiste of onvolledige inlichtingen, kort gezegd, op het verkeerde been is gezet.”7
Het arrest Van Zoggel ziet weliswaar op de klassieke situatie van een door de overheid gegeven antwoord op een door een burger gestelde vraag, maar de daarin ontwikkelde maatstaf is algemeen geformuleerd en geldt ook voor informatie die een overheid uit zichzelf heeft verstrekt (actieve informatieverstrekking) en algemene, ongerichte, informatieverstrekking. 8 Kernvraag om onrechtmatige informatie aan te nemen is of de benadeelde in de gegeven omstandigheden er redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen werden gegeven. 9
Indien de civiele rechter tot het oordeel komt dat inderdaad sprake is van onrechtmatige informatieverstrekking, is daarmee tevens de relativiteit met betrekking tot de benadeelde vastgesteld (de personele relativiteit). De normschendende gedraging in de vorm van onjuiste informatieverstrekking is immers ten opzichte van de concreet benadeelde burger onrechtmatig.10
Ter nadere invulling van de in Van Zoggel geformuleerde maatstaf of ‘een burger er redelijkerwijs op heeft mogen vertrouwen dat hem juiste en volledige inlichtingen met een bepaalde inhoud werden gegeven’, heb ik in paragraaf 3.5 gewezen op het door K.J.O. Jansen geformuleerde kader over zogenoemde informatieplichten. Uit dat kader volgt dat onder omstandigheden op de overheid een informatieplicht in de vorm van een waarheidsplicht kan rusten. 11 Dit betekent dat de overheid in een concreet geval juiste en volledige informatie moet verstrekken en indien zij dat nalaat, aansprakelijk is voor de gevolgen daarvan.
Of sprake is van een dergelijke op de overheid rustende waarheidsplicht als gevolg waarvan op de door haar verstrekte informatie mag worden vertrouwd, is afhankelijk van een afwegingskader tussen de waarheidsplicht van de overheid en de onderzoeksplicht van de burger bestaande uit de aard van de (i) rechtsverhoudingen; (ii) informatie; en (iii) betrokken belangen. 12 Bij het stappenplan van de Dakterras-uitspraak en de nakomingsverplichtingen uit rechtshandelingen uit het vorige hoofdstuk hebben we gezien dat het toetsingskader erop is gericht om de vraag te beantwoorden of sprake is van een rechtsgeldige uitlating. Daarvoor zijn van belang de inhoud van de uitlating (gericht op rechtsgevolg?) en de bevoegdheid van de persoon van wie de uitlating afkomstig is. Voor onrechtmatig overheidshandelen wegens onjuiste informatieverstrekking geldt – gelet op het feitelijke karakter van de uitlatingen – een minder strak omlijnd toetsingskader van te doorlopen stappen en is een breder afwegingskader nodig om met alle omstandigheden van het geval rekening te kunnen houden.