Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/4.3.10
4.3.10 Verkrijgende verjaring
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624912:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voor cultuurgoederen geldt de uitzondering van het tweede lid. Voor teboekgestelde schepen en luchtvaartuigen geldt een afwijkende termijn van vijf jaar op grond van art. 8:201, 8:791 en 8:1307 BW. Vgl. art. 2262 e.v. BBW.
Naar Duits recht is bewust van een vergelijkbare bepaling afgezien. Zie Münch. Komm./Baldus § 937, nr. 43.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 417.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 416 (TM). Zie ook Van Schaick 2003, nr. 97. Voor beperkte rechten geldt dit niet en geeft art. 1:106 BW een andere regel. Zij gaan teniet als de vordering tot opheffing van een hiermee strijdige toestand verjaart.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 431; Van Schaick 2003, nr. 97.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 428.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 423; Van Schaick 2003, nr. 94.
Vgl. Parl. Gesch. Boek 3, p. 425. Zie ook Suijling 1940, p. 293: 'Het belang van den eigenaar mag alleen opgeofferd worden aan dat van een bezitter voor zich, indien de kwaliteiten van diens bezit het rechtsverlies van den eigenaar rechtvaardigen'; Suijling 1940, p. 302: '[...1, omdat de bezitter op bona fide derden den indruk maakt eigenaar te zijn, en omdat het legislatief verantwoord is het belang van den bona fide verkrijger boven dat van den eigenaar te laten gaan, als deze drie jaar na de ontvreemding of het verlies nog geen revindicatie heeft ingesteld'; EHRM 30 augustus 2007, NJ 2008, 269 (Pye/The United Kingdom), onder 75.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 409.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 409. De gekozen termijn van tien jaar voor andere goederen dan onroerende zaken, niet registergoederen en vorderingen aan order en toonder, is een wijziging ten opzichte van art. 665 jo art. 2000 (oud) BW, waarin twintig jaar moest zijn verstreken. Zie ook Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 432.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 436. Vgl. Suijling 1940, p. 303; Van Schaick 2003, nr. 97 en Salomons, WPNR (2005) 6639; EHRM 30 augustus 2007, NJ 2008, 269 (Pye/The United Kingdom), onder 78. Zie in gelijke zin met betrekking tot onroerende zaken J.E. Jansen 2007-II, onder 4. Ten aanzien van roerende zaken acht hij dat de verwijtbaarheid van de eigenaar ontbreekt en dat het rechtsverlies op grond van art. 3:306 (jo art. 3:105) BW in strijd is met art. 1 Eerste Protocol EVRM. Mijns inziens laat EHRM 30 augustus 2007, NJ 2008, 269 (Pye/The United Kingdom), ook ten aanzien van roerende zaken, in beginsel ruimte voor de in art. 3:306 jo art. 3:105 BW gemaakte afweging van persoonlijke en maatschappelijke belangen.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 417. Zie met betrekking tot de ratio van de verjaring van rechtsvorderingen Suijling 1940, p. 304: 'een gerechtigde moet niet tot in de eeuwigheid over den steun van den rechter tot handhaving van zijn recht kunnen beschikken.
Over de wenselijkheid dat ook een dief door verjaring eigendom kan verkrijgen, bestaat discussie. Zie onder anderen Van Schaick 2005, 'Dief wordt vaak geen eigenaar', WPNR (2005) 6617, met reacties van Salomons, WPNR (2005) 6639, Jansen, WPNR (2005) 6639 en naschrift Van Schaick WPNR (2005) 6639. Ook de verkrijging van onroerende zaken via verjaring op grond van art. 3:105 BW roept weerstand op. Zie in het kader van EHRM 30 augustus 2007, NJ 2008, 269 (Pye/The United Kingdom) hierover J.E. Jansen 2007-II; Delfos-Roy, 'Het verbes van eigendom van een onroerende zaak op grond van artikel 3:105 BW, RM Themis 2008, p. 3-12.
Zie onder anderen Suijling 1948, p. 311; Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 441; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 247 e.v.; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 94; De Jong 2006, nr. 95; Jansen 2005 (2007), p. 69. Vgl. Meijers 1948, p. 127. Zie voor een verder overzicht: Biemans 2007, p. 91-93. Anders, maar niet overtuigend ten aanzien van bestaande goederen: Biemans 2007, p. 93-94. Naar Duits recht wordt de verkrijging op grond van § 937BGB, dat uitsluitend ziet op verkrijging van roerende zaken naar de heersende leer, als originaire verkrijging aangemerkt. Zie Staudinger/Wiegand § 937, nr. 17; Münch. Komm./Baldus § 937, nr. 2.
Anders Biemans 2007, p. 95. Voor de verkrijging van een vordering is wel noodzakelijk dat de schuldeiser van de vordering haar bestaan erkent. Het recht van de verkrijgende bezitter is dan echter niet afgeleid van het recht van de oorspronkelijke rechthebbende uit de oorspronkelijke verbintenisscheppende overeenkomst, maar van het bezit van deze verbintenis door de verkrijger. Dit kan mijns inziens worden gezien als een vorm van schuldvernieuwing van rechtswege. Vgl. Asser/Hartkamp/Sieburgh 6-II*, nr. 324: 'Schuldvernieuwing komt tot stand door een overeenkomst.' In gevallen, waarin een vordering niet is overgedragen door bijvoorbeeld een niet ontdekt gebrek in de levering, kan de 'cessionaris' een vergelijkbare vordering verkrijgen op grond van art. 3:99 BW. Dit artikel levert het recht op zoals men dat bezeten heeft, waardoor het (nieuw) verkregen recht van de beoogde cessionaris wat haar eigenschappen en nevenrechten betreft, exact overeen zal stemmen met de tevergeefs door de cedent geleverde en door de verjaring tenietgegane vordering. Vgl. Asser/Mijnssen/De Haar/Van Dam 3-I 2006, nr. 441. Anders Suijling 1940, p. 300-302.
Vgl. Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 244, met betrekking tot zaken: 'Er ontstaat door verjaring een recht conform het recht dat tenietgaat.' Mijns inziens bepaalt echter niet het recht dat tenietgaat, maar het bezit het recht dat ontstaat.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 441-442; Van Schaick 2003, nr. 94; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 347-348; Biemans 2007, p. 94.
Zie ook Parl. Gesch. Boek 3, p. 417.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 424; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 347; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 258. Vgl. art. 2223 BBW.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 414-415. De consequentie van de verkrijging van rechtswege is dat, wanneer de feiten vaststaan, waaruit volgt dat een goed door verjaring is verkregen, de rechter in gevolge art. 25 Rv verplicht is deze verkrijging aan te nemen. Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 441.
Anders: Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 442. Zie voor het Romeinsrechtelijk verleden op dit punt: Jansen 2005 (2007) p. 53 e.v.
Zie Toelichting Meijers, Parl. Gesch. Boek 3, p. 409.
Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 417.
Zie Van Schaick 2003, nr. 94; Van Vliet 2004, p. 213; Biemans 2007, p. 89.
Door de terugwerkende kracht die aan verkrijgende verjaring is verbonden, geldt in beide gevallen dat rechten die door de oorspronkelijke gerechtigde zijn gevestigd tijdens de verjaringstermijn, in beginsel niet tot stand komen wegens het ontbreken van beschikkingsbevoegdheid. Dit sluit echter niet uit dat de verkrijger van het beperkte recht op grond van derdenbescherming desondanks een recht verkrijgt.
Bij het ontbreken van een zekerheidsgerechtigde moet mijns inziens worden aangenomen dat, ondanks het beperkte bezit, een volledig recht wordt verkregen. Zie ook Biemans 2007, p. 95.
Zie Van Schaick 2003, nr. 94.
Zie Van Schaick 2003, nr. 94.
Zie ook Suijling 1940, p. 300
117.
Afdeling 3.5.3 BW geeft een tweetal verkrijgingen die onder de noemer verkrijgende verjaring valt, ten eerste de verkrijgende verjaring van de bezitter te goeder trouw. Deze is gebaseerd op art. 3:99 BW. Hiervoor is, afhankelijk van het soort goed dat verkregen wordt, het onafgebroken bezit vereist van drie dan wel tien jaar, in de gerechtvaardigde veronderstelling dat men daadwerkelijk de macht voor zichzelf uit mag oefenen.1 Maatgevend hierbij zijn het bezit van degene die het recht verkrijgt en de goede trouw op het moment van de bezitsverkrijging. De rechten van derden zonder bezit, waaronder de oorspronkelijke eigenaar of rechthebbende, zijn niet van belang. Dit laatste is wel het geval bij de tweede vorm van verkrijgende verjaring op grond van art. 3:105 BW.
De eigenaar of rechthebbende die niet meer de feitelijke heerschappij uitoefent, krijgt van de wetgever twintig jaar de tijd om het bezit terug te eisen (art. 3:306 BW), waarna zijn rechtsvordering verjaart. Deze zogenoemde bevrijdende verjaring leidt op zich niet tot een rechtsverkrijging, maar de hieraan verbonden verkrijgende verjaring van art. 3:105 BW doet dit wel.2 Het verlies van de mogelijkheid een aanspraak in rechte geldend te maken zonder dat hier verdere gevolgen aan verbonden worden, achtte de wetgever uit het oogpunt van rechtszekerheid onwenselijk.3 Zonder de aanvullende regel van art. 3:105 BW ontstaat namelijk een vacuüm. De eigenaar kan zijn recht niet meer afdwingen, terwijl de bezitter niet meer dan de bezitsacties heeft.4 Daarom leidt de bevrijdende verjaring in beginsel tot het einde van die aanspraken en een verkrijging van de betrokken goederen door de gelukkige die daar op dat moment (toevallig) de bezitter van is. Deze verkrijging is dus niet gebaseerd op het bezit gedurende een bepaalde tijd, maar uitsluitend op het bezit op het moment dat de rechtsvordering van de oorspronkelijke rechthebbende verjaart door voltooiing van de termijn van art. 3:306 BW.5
In beide gevallen is voor verkrijging door verjaring nodig dat men een goed houdt voor zichzelf.6 Steeds bewerkstelligt verjaring dat een van de rechtstoestand afwijkende feitelijke toestand die lang genoeg heeft bestaan, wordt aangepast, zodat de rechtstoestand in overeenstemming komt met de feitelijke toestand. Hiermee is verjaring een rechtsfiguur die in de eerste plaats bestaat ter wille van de maatschappelijke orde.7 Er wordt een belangenafweging gemaakt, waarbij het belang van de oorspronkelijke rechthebbende om zijn recht geldend te maken wordt afgezet tegen de belangen van de bezitter en het belang van derden die op de pretentie van het bezit vertrouwen.8 De uitwerking van deze afweging verschilt per bepaling.
Bij de verkrijgende verjaring op grond van art. 3:99 BW legt het belang van de bezitter door zijn goede trouw een aanzienlijk gewicht in de schaal. Al sinds het Romeinse recht wordt het belang van de eigenaars van roerende zaken geacht voldoende te worden beschermd door hen een termijn van drie jaar te geven om hun zaak terug te eisen.9 Voor overige goederen vond Meijers en met hem de wetgever een termijn van tien jaar voldoende voor de rechthebbenden om voor handhaving van hun rechten op te komen.10 Na verloop van deze tijd weegt het belang van de bezitter te goeder trouw zwaarder en is zijn bezit voldoende voor de rechtsverkrijging.
Bij verjaring op grond van art. 3:306 jo art. 3:105 BW wordt het belang van de rechthebbende afgezet tegen de rechtszekerheid, in het bijzonder het maatschappelijke belang dat bezit en eigendom bij voorkeur in één hand zijn verenigd. Daarbij wordt hoofdzakelijk geredeneerd vanuit het standpunt van de rechthebbende die zijn recht verliest. Een eigenaar, die zich gedurende de verjaringstermijn niet voldoende om zijn goed bekommert, verliest uiteindelijk zijn recht.11 Het bezit van de verkrijger speelt in de afweging geen rol. Zijn verkrijging is slechts noodzakelijk om de feitelijke en juridische werkelijkheid te synchroniseren. Art. 3:105 BW dient dus de rechtszekerheid.12 Bezit leidt slechts tot een rechtsverkrijging, voor zover de rechten van de oorspronkelijke rechthebbende zijn verjaard en is daarmee een aanvulling op de verjaringsregel van art. 3:306 BW.13
Over de kwalificatie van verkrijgende verjaring als een originaire dan wel derivatieve wijze van eigendomsverkrijging bestaat enige discussie. Evenals de meeste andere auteurs schaar ik verkrijgende verjaring onder de oorspronkelijke verkrijgingen.14 De door middel van verjaring verkregen eigendom, beperkte rechten of overige aanspraken zijn namelijk niet afgeleid van de rechten van een rechtsvoorganger, maar van het bezit van de verkrijger, bij toepassing van art. 3:105 BW in combinatie met het tenietgaan van een rechtsvordering van een voormalige gerechtigde. Hieruit volgt dat een dergelijke verkrijging gepaard gaat met een nieuw recht, ook bij de verkrijgende verjaring van een vordering.15 Het is daarbij zeer goed denkbaar dat het verkregen nieuwe recht een gelijke omvang en inhoud heeft als het recht dat gelijktijdig bij de 'rechtsvoorganger' tenietgaat.16 Door de vergelijkbare inhoud ontstaat misschien de indruk dat slechts één recht is betrokken. Het is als het kijken naar twee goochelaars, waarbij de een het konijn links op het toneel laat verdwijnen, waarna de ander het een seconde later rechts op het toneel uit de voorheen lege hoed tevoorschijn tovert. De magiërs doen het voorkomen dat het hierbij om hetzelfde konijn gaat, maar bij nadere beschouwing blijkt dat slechts schijn.
Verkrijging op grond van verjaring vindt van rechtswege plaats en wordt geacht terug te werken tot de aanvang van het bezit.17 Voor bevrijdende verjaring wordt aangenomen dat dit niet van openbare orde is en dat partijen hierover afwijkende afspraken kunnen maken (vgl. art. 3:322 BW en het ontbreken van een dergelijke regel in afdeling 3.5.3 BW).18 Verkrijgende verjaring, zowel op grond van art. 3:99 BW als op grond van art. 3:105 BW is echter wel van openbare orde en daarmee dwingend recht.19 Het toelaten van afwijkende partijafspraken op dit punt zou tot moeilijkheden leiden.20
118.
Het uitgangspunt dat verjaring een originaire verkrijging tot gevolg heeft, laat de vraag naar de omvang van het verkregen recht onbeantwoord. 21Over de omvang van het (nieuwe) recht dat door verjaring wordt verkregen, ontbreekt een wettelijke bepaling zoals § 945BGB naar Duits recht, waarin is bepaald dat rechten van derden in beginsel tenietgaan. Volgens Meijers kan ieder recht dat voor bezit vatbaar is, door verjaring worden verkregen, dus ook beperkte rechten en rechten die met een beperkt recht zijn bezwaard.22 In de parlementaire geschiedenis wordt verder het volgende opgemerkt:
'Heeft derhalve de verkrijger het goed bezeten met eerbiediging dezer beperkte rechten, dan blijven deze rechten ondanks zijn verkrijging van het goed voortbestaan. Heeft de verkrijger daarentegen deze rechten niet gekend en berust zijn verkrijging op art. 3.4.3.1 [art. 3:99 BW, JBS], dan verkrijgt de bezitter het goed onbezwaard, wanneer de beperkt gerechtigde tijdens de loop der verjaring geen daad van stuiting heeft verricht. Heeft ten slotte de bezitter het goed verkregen door het tenietgaan van de opeisingsvordering, dan is beslissend of ook de vordering van de tot het beperkte recht gerechtigde is verjaard; is dit niet het geval dan blijft dit recht bestaan.23
Steeds is het uitgangspunt dat de bezitter niet meer kan verkrijger dan waar zijn bezit op van toepassing is.24 Daarnaast moet onderscheid worden gemaakt tussen verkrijging op grond van art. 3:99 en art. 3:105 BW.25 De verkrijging gebaseerd op art. 3:99 BW wordt, gezien haar aanknopingspunt, volledig bepaald door de omvang van het bezit. Indien de bezitter dacht rechthebbende te zijn van een volledig, onbezwaard recht, dan verkrijgt hij een niet beperkt en onbelast recht bij voltooiing van de verjaringstermijn. Een bezitter die in de veronderstelling leefde dat een derde bijvoorbeeld een zekerheidsrecht op het betrokken goed had, verkrijgt in beginsel een recht belast met dit zekerheidsrecht.26 Wanner de bezitter in de veronderstelling verkeerde rechthebbende te zijn van een beperkt recht, verkrijgt hij geen volledig recht, doch slechts dit beperkte recht. De oorspronkelijk gerechtigde behoudt in dat geval de eigendom, maar wordt geconfronteerd met het door verjaring ontstane beperkte recht.27 Indien de bezitter dacht gerechtigd te zijn tot een aandeel in een goed, wordt hij slechts mede-eigenaar, samen met de oorspronkelijke eigenaar die het overige deel behoudt.28
De omvang van de verkregen rechten op grond van art. 3:105 BW wordt door twee factoren bepaald. Ten eerste is voor een verkrijging vereist dat de rechtsvordering van de oorspronkelijke rechthebbende verjaart. Ten tweede is noodzakelijk dat een ander het goed, waarop het door niemand afdwingbare recht rust, bezit. Uitsluitend voor zover deze factoren elkaar overlappen wordt door de bezitter een recht verkregen. Indien de op grond van art. 3:306 BW verjaarde vordering betrekking heeft op een volledig en onbelast recht, kan de bezitter dit recht verkrijgen, mits hij daarvan op dat ogenblik ook het bezit heeft. Indien de verjaarde rechtsvordering betrekking heeft op een recht dat is belast met een beperkt recht, zijn verschillende uitkomsten denkbaar. Indien de beperkt gerechtigde op hetzelfde moment als de hoofdgerechtigde het bezit van zijn beperkte recht heeft verloren en op één moment dus zowel de vordering van de hoofdgerechtigde als de beperkt gerechtigde verjaren, kan de bezitter van het volledige goed hiervan het onbezwaarde (eigendoms)recht verkrijgen. Indien de vordering van de beperkt gerechtigde echter nog niet is verjaard en de bezitter op dit punt geen beroep op art. 3:99 BW toekomt, verkrijgt hij een recht belast met het beperkte recht.29
Verkrijgende verjaring is dus steeds een verkrijging van een nieuw recht, op grond van het bezit van dit recht. De omvang van het verkregen recht is afhankelijk van de omvang van het bezit en bij toepassing van art. 3:105 BW van de omvang van de op grond van art. 3:306 BW verjaarde rechtsvordering.