Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.7.4
7.7.4 Eigen visie op stelplicht en bewijslast bij art. 6:98 BW: inbedding stap 2 en 3
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284623:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
De dogmatiek maakt nog onderscheid tussen ‘blote feiten’ en ‘rechtsfeiten’. Een bloot feit is een zuivere beschrijving die de werkelijkheid weergeeft. Een rechtsfeit is een feit dat beslissend is voor het vaststaan van het door een partij ingeroepen rechtsgevolg. Zo’n feit kan soms een zuiver juridisch gegeven zijn, zoals het bestaan van een huurovereenkomst, het zijn van eigenaar etc. Dat zijn dus geen fysieke omstandigheden die in de werkelijkheid bestaan, maar louter juridische kwalificaties van een feitelijke toestand of zelf louter een abstract juridisch gegeven. De waarde van het onderscheid tussen blote feiten en rechtsfeiten is gering. Asser merkt op dat men ook enkel van ‘feiten’ zou kunnen spreken. Zie hierover Asser Procesrecht/Asser 3 2017, nr. 33.
Overigens is wel denkbaar dat de rechter voor die objectieve voorzienbaarheid en waarschijnlijkheid van feitelijke gegevens (statistiek etc.) gebruik zal willen maken. Dat zijn echter feitelijke gegevens die noodzakelijk zijn voor de beantwoording van de voorliggende rechtsvraag. Dat staat mijns inziens los van art. 150 Rv. Zie hierover hoofdstuk 2, voetnoot 85.
Een fraaie illustratie is HR 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2895, NJ 2014/429 (Swinkels/Saint-Gobain). Swinkels raakt tijdens zijn werkzaamheden als heftruckchauffeur gewond aan zijn voet. Daarvoor is werkgever Saint-Gobain aansprakelijk. Anderhalve maand later struikelt hij thuis over zijn deurmat waardoor zijn schade verergert. Volgens Swinkels is Saint-Gobain daarvoor ook aansprakelijk. Hij moet daartoe verklaren waarom er csqn-verband bestaat tussen de werkzaamheden en het struikelen over die deurmat. Daarvoor moet hij stellen dat hij weer aan het werk was gegaan toen zijn voet nog niet geheel was genezen, daardoor zijn been was gaan slepen en hij daardoor over de deurmat is gestruikeld. Door al die tussenstappen ontstaat in die casus de vraag of er een te ver verwijderd verband bestaat tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de schade.
551. Het uiteenlopen van de standpunten vloeit volgens mij in de kern voort uit enkele kenmerken van art. 6:98 BW die (deels) lastig met art. 150 Rv en art. 24-25 Rv zijn te verenigen. Art. 150 Rv neemt tot uitgangspunt dat materieelrechtelijke bepalingen (onrechtmatige daad, verjaring etc.), een rechtsgevolg (schadevergoeding, vervallen vorderingsrecht) verbinden aan bepaalde (rechts)feiten.1 Degene die zich op het rechtsgevolg beroept, moet die feiten dus stellen en, bij betwisting, bewijzen. De rechter onderzoekt zelfstandig ex art. 24-25 Rv of de wet rechtsgronden kent die aan de aangevoerde feiten het ingeroepen rechtsgevolg verbinden. Art. 6:98 BW sluit in een aantal belangrijke opzichten niet op dit systeem aan. Identificatie daarvan biedt volgens mij ook de sleutel tot een juiste omgang met de stelplicht en bewijslastverdeling.
552. Allereerst wil art. 6:98 BW tegelijkertijd zowel ten bate van de gelaedeerde (volledige of ruime toerekening) als ten bate van de laedens (beperktere toerekening) werken, afhankelijk van de weging van de verschillende relevante factoren. De bepaling verlangt dus een weging van omstandigheden waarvan sommige voor ruime en andere voor beperktere toerekening pleiten. Art. 6:98 BW verbindt aan dat geheel vervolgens een bepaalde mate van toerekening. Die uitkomst is deels voordelig voor de gelaedeerde (toegerekende schade) en deels voordelig voor de laedens (niet toegerekende schade). Dit januskoppige karakter verhoudt zich lastig tot het systeem van art. 150 Rv. Dat systeem gaat ervan uit dat een materieelrechtelijke bepaling een bepaald rechtsgevolg heeft dat voordelig is voor degene die zich daarop beroept. De daartoe noodzakelijke feiten moeten daarom door die partij worden aangevoerd en bewezen. Voldoet hij daaraan niet, dan treedt het rechtsgevolg niet in. Art. 6:98 BW spaart als het ware de kool en de geit.
553. Ten tweede doet art. 6:98 BW een appel op zowel zuiver juridische gezichtspunten (bijv. de aard van de schade, de aard van de norm) op zuiver feitelijke gezichtspunten (bijv. het verzekerd zijn van de schade) en op gezichtspunten die zowel een juridische als meer feitelijke component kennen (bijv. de verwijderdheid van de schade, de waarschijnlijkheid van het intreden daarvan). Sommige gezichtspunten pleiten – conform de observatie dat art. 6:98 BW twee kanten opwerkt – vóór toerekening en andere weer daartegen. Dat sluit slecht aan bij de gedachte van art. 150 Rv dat rechtsgronden enkel aan feiten, en niet aan louter juridische gezichtspunten, rechtgevolg toekennen. Art. 150 Rv ziet dus ook enkel op het stellen en bewijzen van feiten, niet van ‘juridische’ of ‘gemengde’ omstandigheden.
554. Ten derde suggereert de tekst van art. 6:98 BW (‘voor vergoeding komt slechts in aanmerking’) dat de rechter de art. 6:98-afweging ambtshalve, en dus los van art. 150 Rv, bij wijze van rechtsvraag moet beantwoorden.2
555. Uit het voorgaande volgt volgens mij (a) dat de rechter ter toewijzing van de vordering steeds zelfstandig aan art. 6:98 BW moet toetsen en (b) de stelplicht en bewijslast van de relevante art. 6:98 BW-gezichtspunten op de voet van art. 150 Rv niet categorisch op de laedens of de gelaedeerde kunnen rusten. Maar hoe moet dat dan precies?
556. Mijns inziens laat art. 6:98 BW zich als volgt in het bestaande processuele systeem inbedden. Volgens mij kunnen de meeste voor art. 6:98 BW relevante omstandigheden steeds worden afgeleid uit de stellingen en gegevens die noodzakelijk zijn om een onrechtmatige daadsvordering3 te kunnen toewijzen. In dat kader zal immers ten minste moeten komen vast te staan (i) welke gedraging van de laedens het betreft, (ii) welke (ongeschreven) norm of welk recht daarmee is geschonden, (iii) welke schade de gelaedeerde heeft geleden en (iv) dat csqn-verband bestaat tussen de gedraging en die schade. De daarvoor relevante gegevens bieden de rechter in de regel voldoende informatie om de belangrijkste art. 6:98-omstandigheden zelfstandig te toetsen. Daaruit volgt immers informatie over de geschonden norm – waarvan de rechter doel en strekking zelf moet vaststellen – en de aard van de schade. Verder kan de rechter op basis van die gegevens de objectieve – en dus niet van te stellen feiten afhankelijke – voorzienbaarheid en waarschijnlijkheid van het intreden van de schade bepalen.4 Ten slotte kan de rechter uit (de stellingen over) het csqn-verband in de regel ook afleiden of de schade in een nauw of juist verder verwijderd verband staat met de schade.5 Het csqn-verband vereist immers een verklaring waarom de schade is ontstaan door het onrechtmatig gedrag. Dat impliceert dat ook de eventuele ‘tussenstappen’ tussen de schade en de gedraging moeten worden gesteld en bij betwisting bewezen. Dit betreft dus allemaal omstandigheden die zich laten toetsen op basis van datgene dat de gelaedeerde ex art. 150 Rv moet stellen en, zo nodig, moet bewijzen op grond van art. 6:162 BW.6 Ik spreek hierna ook van ‘art. 162-omstandigheden’.
557. De rechter zal volgens mij steeds op basis van de hiervoor bedoelde binnen de art. 6:162-stelplicht vallende omstandigheden moeten oordelen of, en in hoeverre, de gevorderde schade kan worden toegerekend. De gelaedeerde kan vervolgens in aanvulling op die ex art. 6:162 BW vereiste gegevens ‘feitelijke’ omstandigheden stellen en, bij betwisting, bewijzen die in aanvulling op de art. 6:162- omstandigheden de toerekening van (een groter deel van) de schade rechtvaardigen (bijvoorbeeld een verzekering van de wederpartij). Voldoet de gelaedeerde daaraan niet, dan blijft het eerdere toerekeningsoordeel in stand. Omgekeerd, als de art. 6:162-omstandigheden de toerekening van een (deel van de) schade rechtvaardigen, kan en moet de laedens feitelijke omstandigheden stellen en, bij betwisting, bewijzen die afdoen aan de toerekening daarvan (bijv. een eigen schadeverzekering van de gelaedeerde). Voldoet hij daaraan niet, dan wordt die schade toegerekend. De rechter kan ten slotte ook – zonder tot bewijslevering over te gaan – oordelen dat de gestelde feitelijke omstandigheden, ook indien bewezen, aan het gewicht van de art. 6:162- omstandigheden niet afdoen. De rechter weegt die feitelijke omstandigheden dan wel, maar acht ze hoe dan ook te licht. Dit systeem doet mijns inziens recht aan de drie hierboven geïdentificeerde eigen kernmerken van art. 6:98 BW.
558. Terug naar stap 2 en 3 van mijn model. Het voorgaande betekent dat art. 6:98 BW de rechter steeds de ruimte biedt de schade toe te rekenen aan de onrechtmatige daad als de geschonden norm duidelijk wel strekt tot bescherming van de gelaedeerde tegen de door hem geleden schade (stap 2). Die vraag is immers niet afhankelijk van door art. 150 Rv beheerste feitelijke vaststellingen, maar volgt zonder meer uit de ex art. 6:98 BW relevante aard en strekking van de geschonden norm.
559. De rechter moet bij de derde stap van het model steeds de art. 6:162- omstandigheden zelfstandig toetsen om vast te stellen in hoeverre de schade ex art. 6:98 BW toerekenbaar is. In de regel zullen de in het kader van art. 6:162 BW door de gelaedeerde te stellen en te bewijzen feiten daartoe voldoende aanknopingspunten bieden. De laedens en gelaedeerde kunnen vervolgens eventueel alsnog feitelijke omstandigheden ten eigen bate (voor ruimere of juiste beperkere toerekening) aanvoeren. De stelplicht en bewijslast daarvan rusten steeds op de partij die zich op zo’n voor haar batige feitelijke omstandigheid beroept.