Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/7.7.3
7.7.3 De stelplicht en bewijslastverdeling en ambtshalve toetsing aan art. 6:98 BW: onduidelijkheid
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284528:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Boonekamp & Valk 2017, p. 265; Klaassen 2017, nr. 45 en Asser/Sieburgh 6-II 2017, nr. 76 en 82.
HR 2 oktober 1998, ECLI:NL:HR:ZC2723, NJ 1998/831 (Nacap/Shellfish). Vgl. HR 29 april 2011, ECLI:NL:HR:BQ2935, NJ 2011/191 (Bouwcombinatie c.s./Liander).
Zie Klaassen 2017, nr. 45.
Asser/Sieburgh 6-II 2015, nr. 82. Zie ook Sieburgh 2001, p. 589.
Zie HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:BH2815, NJ 2012/182, m.nt. J.M.B. Vranken (De Treek/Dexia), HR 5 juni 2009, ECLI:NL:HR:BH2811, NJ 2012/183, m.nt. J.M.B. Vranken (Levob/Bolle) en HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:BH2162, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron (World Online).
Boonekamp & Valk 2017, p. 266.
Boonekamp & Valk 2017, p. 266-267.
548. Dan resteert de vraag hoe de art. 6:98 BW-toets processueel ingebed moet worden (stap 2 en 3). De literatuur is het erover eens dat de toerekeningsvraag van art. 6:98 BW – dat wil zeggen: de weging en waardering van de verschillende relevante omstandigheden – in beginsel een rechtsvraag is.1 In de literatuur bestaan echter uiteenlopende ideeën over de processuele inbedding van art. 6:98 BW in het systeem van art. 150 Rv en art. 24-25 Rv. De jurisprudentie van de Hoge Raad wijst namelijk in verschillende richtingen.
549. De Hoge Raad overweegt in Nacap/Shellfish dat het op de weg van de laedens ligt te bewijzen dat de schade in een te ver verwijderd verband staat met de schade.2 Klaassen leidt hieruit voorzichtig af dat een schadevordering als uitgangspunt moet worden toegewezen als is voldaan aan de vereisten van art. 6:162 BW. Volgens Klaassen kan de rechter echter oordelen dat bepaalde schadeposten in redelijkheid niet (in volle omvang) aan de laedens kunnen worden toegerekend. Dat oordeel wordt volgens haar mede beïnvloed door een eventueel verweer van de laedens dat er feiten zijn die met zich brengen dat het niet redelijk is dat de gevorderde schadeposten (volledig) aan hem worden toegerekend.3 Sieburgh staat een vergelijkbaar systeem voor. De redelijke toerekeningsvraag is steeds een rechtsvraag. Indien aan het csqn-vereiste (en de overige eisen van 6:162 BW) is voldaan, moet volgens haar de laedens art. 6:98 BW-omstandigheden aanvoeren die afdoen aan de toerekening, zoals dat de schade in een te ver verwijderd verband staat.4 Deze benaderingen passen bij de systematiek van art. 6:162 BW: indien aan de vier door art. 6:162 BW gestelde eisen voor aansprakelijkheid is voldaan, moet de vordering toegewezen worden. De laedens kan zich vervolgens van (een deel van) zijn aansprakelijkheid bevrijden door zich te beroepen op een beperkte toerekening ex art. 6:98 BW.
550. De Hoge Raad heeft echter ook meermaals overwogen dat voor de toerekeningsregel van art. 6:98 BW de ‘gewone’ bewijslastverdeling van art. 150 Rv geldt.5 Boonekamp leidt daaruit af dat de stelplicht en bewijslast van voor art. 6:98 BW relevante omstandigheden als uitgangspunt rusten op de gelaedeerde.6 Ondertussen erkent hij ook dat de laedens volgens de hierboven besproken rechtspraak van de Hoge Raad de verwijderdheid van de schade moet onderbouwen. Hij houdt het er daarom op dat de bewijslastverdeling contextafhankelijk is.7 Ook voor het uitgangspunt van Boonekamp bestaan goede argumenten. De tekst van art. 6:98 BW bepaalt immers dat voor vergoeding ‘slechts in aanmerking komt’ schade die in een zodanig verband staat met de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis dat deze daaraan kan worden toegerekend. Dat wekt de indruk dat van de gelaedeerde mag worden verwacht relevante omstandigheden aan te dragen die toerekening rechtvaardigen.