Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.5.8
7.6.5.8 De bedrijfsmatige gebruiker ‘luxeert’ een verborgen gebrek
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS297982:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Een in art. 6:174 bedoelde opstal is ingevolge art. 6:174 lid 4 jo. 3:3 lid 1 steeds onroerend. Ook bestanddelen van een zaak die als opstal is aan te merken (vgl. art. 3:4), vallen onder de werkingssfeer van art. 6:174. Apparatuur is bestanddeel van een gebouw indien ‘gebouw en apparatuur in constructief opzicht op elkaar zijn afgestemd’ of als ‘het gebouw uit een oogpunt van geschiktheid als fabrieksgebouw bij ontbreken van de apparatuur als onvoltooid moet worden beschouwd’. Gedacht kan worden aan onderdelen van een gebouw als liften, roltrappen, dakpannen en brandladders. Zie Spier 2015, p. 111, alsook Bauw 2015, p. 27-28.
Vgl. ook hier Parl. gesch. Boek 6, p. 755, waaruit volgt dat art. 6:174 mede een aansprakelijkheid inhoudt voor fouten van anderen bestaande uit het creëren of laten voortbestaan van een gebrek.
In de beide zojuist genoemde gevallen van een ondeugdelijke reparatie is ex art. 6:162 en/of art. 6:74 ook een aansprakelijkheid van of regresactie jegens de ‘foutief’ handelende monteur denkbaar.
Volgens art. 6:186 kan bovenmatige slijtage gebrekkigheid van de zaak als bedoeld in afd. 6.3.3 BW opleveren (het product was bij het in verkeer brengen al te slijtagegevoelig), zie Stolker, GS Onrechtmatige daad, art. 6:186, aant. 2.4.2.
Wel is ook een aansprakelijkheid van of regresactie jegens de producent denkbaar. Zie ook par. 3.5.3.2, waaruit blijkt dat de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 6:181 jo. 174 en die van afd. 6.3.3 BW – in tegenstelling tot die van art. 6:181 jo. 173 en afd. 6.3.3 BW – kunnen cumuleren.
Naast het ‘fysiek’ of ‘op andere wijze’ veroorzaken van het gebrek, kan het schadeveroorzakende gebrek in de opstal ook anderszins in (voldoende) verband staan met de bedrijfsuitoefening van de gebruiker voor de toepassing van art. 6:181. Gedacht kan mijns inziens worden aan de situatie waarin een opstal die voor bedrijfsmatig gebruik ter beschikking wordt gesteld reeds behept is met een verborgen gebrek en dit gebrek zich openbaart c.q. wordt ‘geluxeerd’ in verband met het bedrijfsmatige gebruik dat van de opstal wordt gemaakt. Er is in andere woorden als het ware sprake van een ‘sluimerend’ gebrek in de opstal dat ‘getriggerd’ wordt door het desbetreffende bedrijfsmatige gebruik. Denk wederom aan het plotseling neerstorten van een hijsbalk van een als pakhuis gebruikt gebouw, zij het nu echter omdat deze van binnen onverwachts verrot bleek. Van de bedrijfsmatige gebruiker van de opstal zou weliswaar gezegd kunnen worden het gebrek niet ‘veroorzaakt’ te hebben, maar zijn aansprakelijkheid ex art. 6:181 jo. 174 komt mij toch geraden voor. Er is geen sprake van een ‘toevallige’ gebruiker die niets met het schadeveroorzakende gebrek van doen heeft: het gebrek manifesteert zich immers juist vanwege de (specifieke) wijze waarop de bedrijfsuitoefenaar de opstal gebruikt. Of in termen van het arrest Schavemaker/Planet c.s.: ‘de verwezenlijking van het gevaar verbonden aan de gebrekkigheid van de opstal’ staat (voldoende) met de uitoefening van het bedrijf in verband. Dit is anders indien een voormalig pakhuis met een (verborgen) gebrekkige hijsbalk wordt gebruikt als kantoorruimte. Wanneer de hijsbalk dán plotseling neerkomt, is wél sprake van een ‘toevallige’ gebruiker die niets van doen heeft met het schadeveroorzakende gebrek. De hijsbalk is geen onderdeel gaan uitmaken van de bedrijfsvoering van de gebruiker van de opstal.
Een ander voorbeeld van een aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal voor gebreken die deze niet zelf ‘veroorzaakt’ heeft, biedt een verborgen gebrek dat is ontstaan in een hijsbalk van een pakhuis (mede) vanwege het gebruik dat een eerdere exploitant daarvan heeft gemaakt. Openbaart dit gebrek zich (pas) gedurende het gebruik van de hijsbalk door een opvolgend bedrijfsmatige gebruiker, dan zal deze laatste ingevolge art. 6:181 de aansprakelijkheid van art. 6:174 daarvoor hebben te dragen. ‘De verwezenlijking van het gevaar verbonden aan de gebrekkigheid van de opstal’ hangt ook nu (voldoende) samen met de (specifieke) wijze waarop de opvolgend exploitant de opstal gebruikt.
Ter illustratie noem ik in dit verband ook de ingeschakelde monteur die steken laat vallen bij een onderhoudsbeurt van een – als bestanddeel van de opstal –1onroerende machine. Wanneer de bedrijfsmatige gebruiker na vertrek van de monteur het productieproces opstart, ontploft de machine. Het gebrek in de opstal is weliswaar niet door de bedrijfsmatige gebruiker zelf ‘veroorzaakt’, maar staat wel in (voldoende) verband met diens bedrijfsuitoefening.2 Ziet de ondeugdelijke reparatie door het onderhoudsbedrijf evenwel niet op een machine maar op een constructief onderdeel als het dak van het bedrijfsgebouw, dan staat het gebrek in mijn ogen niet in (voldoende) verband met het gebruik van de opstal als bedrijf maar met het gebouw als zodanig. Een dergelijk ‘eigen’ – in de zin van niet tot de bedrijfsuitoefening te rekenen factoren – gebrek van de opstal valt niet binnen de risicosfeer van de ‘toevallige’ bedrijfsmatige gebruiker maar in die van de eigenaar van het gebouw of werk.3
Denk in dit verband ook aan de loods uit het arrest Foekens/Naim. Stel dat deze vóór de schadelijke brand al lange tijd fungeerde als locatie waar brandgevaarlijk werk werd verricht: van de loods is dan te zeggen dat deze, gelet op het in de loods verwerkte brandbare isolatiemateriaal, al die tijd al gebrekkig was. Zou Foekens BV in deze situatie de loods op zeker moment evenzeer voor brandgevaarlijk werk hebben gebruikt (lees: een onveranderde bestemming) en zou dan (pas) zijn gebleken dat deze daarvoor vanwege haar (verborgen) eigenschappen niet geschikt was, dan heeft Foekens BV het gebrek in de opstal weliswaar niet ‘veroorzaakt’ maar stond de manifestatie daarvan niettemin in verband met haar (specifieke) bedrijfsuitoefening.
In het zojuist geschetste perspectief past ook dat de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal niet alleen aansprakelijk kan zijn voor schadeveroorzakende gebreken ontstaan door normale slijtage maar ook voor schade door gebreken wegens bovenmatige slijtage. Hoewel een dergelijk (verborgen) gebrek vermoedelijk door een ander dan de bedrijfsmatige gebruiker – denk aan de producent van de zaak –4zal zijn veroorzaakt, hangt de manifestatie van het gebrek toch (voldoende) samen met de bedrijfsuitoefening van de gebruiker.5
Ook met het oog op de hier besproken gevallen was het niet noodzakelijk ‘het ontstaan’ van het gebrek uit het arrest DB/Edco uit te breiden met ‘het bestaan’ daarvan. Het criterium ‘het ontstaan van het gebrek’ uit het arrest DB/Edco is – in plaats van taalkundig of feitelijk – normatief uit te leggen: beslissend is niet wie verantwoordelijk is voor de ‘oorsprong’ van het gebrek, in de zin van het allereerste ontstaan of de allereerste aanwezigheid daarvan, maar wie ‘verantwoordelijk’ is voor de situatie waarin het gebrek in de opstal schadelijk werd.