RvdW 2026/438:Beklag, beslag ex art. 94a Sv onder klaagster en ander op woningen, havenplaats, auto’s, boot, effectenportefeuilles, bankrekeningen, edelmetalen en lening in Nederland, Luxemburg, Zwitserland en Malta t.l.v. klaagster en die ander i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek ‘Milwaukee’ t.z.v. verdenking van illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan criminele organisatie, met het oog op ontneming van w.v.v. Proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting van beslag. Kon Rb (economische raadkamer) — in het licht van aangevoerde over wanverhouding tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en te verwachten hoogte van mogelijk op te leggen betalingsverplichting — oordelen dat beslag niet in strijd is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat zij niet kan vaststellen dat sprake is van ‘overbeslag’? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 31 januari 2023, NJ 2023/149, m.nt. P.A.M. Mevis, m.b.t. vraag wanneer rechter blijk moet geven van onderzoek naar vraag of voortzetting van beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en (als dat het geval is) welke eisen moeten worden gesteld aan motivering van zijn beslissing. Uit stukken volgt dat namens klaagster (onder overlegging van (bank)overzichten van waarden en saldi van (deel van) inbeslaggenomen effectenportefeuilles en bankrekeningen) naar voren is gebracht dat sprake is van ‘overbeslag’ van (minimaal) € 23.887.374, nu waarde van inbeslaggenomen voorwerpen volgens klaagster € 67.219.784 bedraagt en conservatoir beslag is gelegd met het oog op oplegging van ontnemingsmaatregel van € 57.034.233, maar op dit berekende w.v.v. nog bedrag van (minimaal) € 13.701.823 in mindering moet worden gebracht. Rb heeft overwogen dat zij niet beschikt over stukken die nodig zijn om zich oordeel te kunnen vormen over waarde van gelegd beslag en dat stukken die namens klaagster zijn overgelegd daartoe onvoldoende zijn, en zij heeft beklag ongegrond verklaard. Gelet op wat namens klaagster, mede onder verwijzing naar door haar ingebrachte stukken, is aangevoerd over waarde van beslag, was Rb gehouden blijk te geven van onderzoek of voortzetting van beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Rb heeft echter ten aanzien daarvan overwogen dat ‘ook zij niet beschikt over stukken die nodig zijn om oordeel te kunnen vormen over waarde van gelegd beslag’. Daarmee heeft zij onvoldoende concreet blijk gegeven van zo’n onderzoek, in aanmerking genomen dat Rb zich niet nader heeft laten informeren over waarde van beslag en uit haar beschikking ook niet blijkt waarom, gelet ook op tijdsverloop sinds beslaglegging, van OM niet kon worden gevergd ten aanzien daarvan stukken over te leggen of concrete nadere opgaven te doen. V.zv. Rb hierbij van oordeel is geweest dat summier karakter van onderzoek in raadkamer eraan in de weg staat dat zo’n onderzoek naar verhouding tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en te verwachten hoogte van eventuele betalingsverplichting plaatsvindt, heeft zij miskend wat hiervoor is vooropgesteld. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met NJ 2026/124, RvdW 2026/433, RvdW 2026/434, RvdW 2026/435, RvdW 2026/436, RvdW 2026/437, RvdW 2026/439, RvdW 2026/440, RvdW 2026/441 en RvdW 2026/442.