Einde inhoudsopgave
De arbeidsovereenkomst: een bewerkelijk begrip (MSR nr. 79) 2021/3.4.2.4
3.4.2.4 Overige bepalingen rondom de kwalificatievraag
S. Said, datum 13-12-2021
- Datum
13-12-2021
- Auteur
S. Said
- JCDI
JCDI:ADS583334:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Arbeidsovereenkomstenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 7:610a BW luidt: ‘Hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.’
In de rechtspraak is ook wel overwogen dat een geslaagd beroep op het rechtsvermoeden van art. 7:610a BW enkel mogelijk is wanneer onduidelijk is hoe een arbeidsrelatie juridisch moet worden geduid, zodat het rechtsvermoeden derhalve niet bedoeld is voor gevallen waarin bij aanvang duidelijkheid bestaat over de aard van de arbeidsrelatie. Zie bijvoorbeeld: Rb. Leeuwarden 6 februari 2002, JAR 2002/58 m.nt. E. Verhulp, waarin tussen partijen vaststond dat bij aanvang van de arbeidsrelatie sprake was van een au pair overeenkomst; Rb. Utrecht 4 juli 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX2415, waarin tussen partijen vaststond dat bij aanvang van de arbeidsrelatie sprake was van een vrijwilligersovereenkomst en geen arbeidsovereenkomst.
Kamerstukken II 1996/97, 25263, nr. 3, p. 4-5 (Memorie van Toelichting). Hoewel in de regel de (vermeend) werknemer een beroep op dit bewijsvermoeden zal doen, kan in theorie ook de werkgever zich op het bewijsvermoeden beroepen. Daarbij zal wel in aanmerking worden genomen dat art. 7:610a BW beoogt de werknemer te beschermen. De kantonrechter Utrecht wees een beroep van een werkgever op het rechtsvermoeden af, zie Rb. Utrecht 23 februari 2000, ECLI:NL:KTGUTR:2000:AG5247, tevens JAR 2000/57 (Kivits/Van den Akker). Overigens wordt wel aangenomen dat aan derden geen beroep op het rechtsvermoeden toekomt. Zie nader: Boot 2004, par. 3.4 en 3.5.
Zie hierover tevens paragraaf 2.3.1.
In 1999 is in het kader van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW geïntroduceerd.1 Op grond van dit artikel wordt het bestaan van een arbeidsovereenkomst vermoed wanneer de (vermeend) werknemer aannemelijk weet te maken dat hij gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uur per maand tegen beloning arbeid verricht. Dit rechtsvermoeden is bedoeld voor gevallen waarin over de aard van de arbeidsverhouding geen (duidelijke) afspraken zijn gemaakt, en gevallen waarin de feitelijke situatie niet overeenkomt met de gemaakte afspraken.2 Het rechtsvermoeden is weerlegbaar, zodat artikel 7:610a BW in feite een omkering van de bewijslast bewerkstelligt ten gunste van de (vermeend) werknemer.
Met de introductie van dit rechtsvermoeden werd beoogd de processuele positie van de werknemer te versterken. Daarbij werd verwacht dat van artikel 7:610a BW ook een zeker ‘preventief effect’ zou uitgaan, nu het werkgevers kon stimuleren om bij het aangaan van de rechtsverhouding zo min mogelijk onzekerheden te laten bestaan. Voorts zou hiermee het gebruik van schijnconstructies afnemen, en zouden geschillen over de aard van de arbeidsverhouding eerder minnelijk worden opgelost.3Artikel 7:610a BWbevat aldus – net als de eerdergenoemde ‘samenloopbepaling’, in het NBW ondergebracht in artikel 7:610 lid 2 BW – een stukje werknemersbescherming, door (ook) de processuele ongelijkheid van de werknemer te compenseren.4