Einde inhoudsopgave
De meerwaarde van meervoud (SteR nr. 48) 2019/4.3.2
4.3.2 Politierechter
mr. drs. R. Baas, datum 24-12-2019
- Datum
24-12-2019
- Auteur
mr. drs. R. Baas
- JCDI
JCDI:ADS174216:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een bespreking van het criterium eenvoud: Schoep, T&C Wetboek van Strafvordering 2017, art. 368, aant. 2; evenals Dijksterhuis, Jacobs & De Jongste 2003, p. 36-38.
Er zijn twee bijzondere politierechters: de economische en de militaire politierechter. Is een delict economisch van aard, dan behandelt de economische politierechter de zaak (art. 52 Wet RO jo. art. 38 Wet op de economische delicten, WED). Berechting van een strafzaak bij de economische politierechter gebeurt door een enkelvoudige kamer als deze voldoet aan de voorwaarden voor vervolging bij de politierechter. Anders komt de zaak terecht bij de meervoudige economische kamer (art. 48 WED). De militaire kantonrechter en politierechter van de Rechtbank Gelderland zijn bij uitsluiting bevoegd tot berechting van strafbare feiten die zijn begaan door militairen (art. 49 en 55 Wet RO jo. art. 2-3 Wet militaire strafrechtspraak, Wmsr). De Wmsr schrijft niet voor wanneer een militaire strafzaak voor de meervoudige kamer komt, maar het ligt in de rede dat dezelfde voorwaarden van toepassing zijn als voor vervolging bij de meervoudige strafkamer (art. 55 Wet RO jo. art. 21 Wmsr).
Eenvoudige strafzaken kunnen worden berecht door de politierechter (art. 51 Wet RO jo. art. 21, vijfde lid, Sv). In artikel 368 Sv zijn de voorwaarden voor vervolging voor de politierechter uitgewerkt. Dat gebeurt:
‘indien naar het aanvankelijke oordeel van het openbaar ministerie de zaak van eenvoudige aard is, in het bijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, terwijl de te requireren gevangenisstraf niet meer dan een jaar mag bedragen’.1
In lijn met deze bepaling kan de politierechter maximaal een gevangenisstraf voor de duur van één jaar opleggen (art. 369, eerste lid, Sv).
Als de politierechter oordeelt dat een zaak door een meervoudige strafkamer moet worden behandeld, dan verwijst hij de zaak daarheen (art. 21, zevende lid, Sv). Het ligt voor de hand dat de politierechter verwijst als een zaak te ingewikkeld is om door één rechter te worden afgedaan of als hij verwacht dat meer dan één jaar gevangenisstraf moet worden opgelegd. De politierechter is verplicht te verwijzen als hij vindt dat terbeschikkingstelling of plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders moet worden overwogen. Verwijzing kan in elke fase van de behandeling gebeuren. De meervoudige kamer zet de zaak dan voort in de stand waarin zij zich bevindt. De meervoudige kamer kan bij de beoordeling van de zaak gebruikmaken van het onderzoek van de politierechter tot dusver (art. 21, zevende lid, jo. art. 369, tweede lid, Sv). De meervoudige strafkamer kan een zaak ook naar de politierechter verwijzen (art. 282a, eerste lid, Sv). Als de politierechter die de zaak gaat behandelen deel uitmaakte van de meervoudige kamer op het moment van verwijzing, dan kan het onderzoek worden hervat alsof geen wijziging in de samenstelling van de rechtbank heeft plaatsgevonden. Anders beveelt de politierechter dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen, tenzij de officier van justitie en de verdachte instemmen met hervatting in de stand waarin het onderzoek zich op het tijdstip van de verwijzing bevond (art. 282a, vierde lid, Sv).2