Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.6.3
5.6.3 Toewijzing zou de buitenlandse betrekkingen doorkruisen
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233664:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 29 juni 2004, 542 U.S. 692 (Sosa v. Alvarez-Machain). Vgl. ook Endicott 2010, voor een bespreking van de toepassing van de political question-doctrine door lagere federale rechters in geschillen over het Alien Tort Statute.
Idem, p. 731-738. Overigens is in de literatuur mede onder verwijzing naar Sosa wel betoogd dat geschillen over de zogenoemde Define and Punishment Clause ook als political question zouden moeten worden aangemerkt. Op grond van deze bepaling is het Congres bevoegd overtredingen van internationaal recht te definiëren (‘define’) and strafbaar te stellen (‘punish’). De vraag is of deze bevoegdheid exclusief is. Het oordeel van het Hof in Sosa dat de rechter in een voorkomend geval aansprakelijkheid zou mogen aannemen voor een schending van internationaal recht staat hiermee op gespannen voet. Het Hof benadrukte echter in Sosa dat het Congres het laatste woord houdt, en dus ook een door het Hof erkende internationale norm als grondslag voor eventuele aansprakelijkheid uiteindelijk mag afwijzen, zonder dat de rechter die keuze vervolgens weer ongedaan kan maken. Volgens sommige auteurs is dit een belangrijke aanwijzing dat ook geschillen over de Define and Punishment Clause binnen het bereik van de doctrine kunnen komen. Zie Kossis 2016, p. 69-74.
U.S. Supreme Court 24 april 2018, 138 S.Ct. 1386 (Jesner v. Arab Bank).
Idem, p. 1394-1396.
Idem, p. 1402 (plurality): ‘In any event, the Court need not resolve the questions whether corporate liability is a question that is governed by international law, or, if so, whether international law imposes liability on corporations. There is at least sufficient doubt on the point to turn to Sosa’s second question –whether the Judiciary must defer to Congress, allowing it to determine in the first instance whether that universal norm has been recognized and, if so, whether it is prudent and necessary to direct its enforcement in suits under the ATS.’
Idem, p. 1414 (Gorsuch, J., concurring): ‘Foreign policy and national security decisions are delicate, complex, and involve large elements of prophecy for which the Judiciary has neither aptitude, facilities, nor responsibility. And I find it difficult to imagine a case in which a federal court might safely conclude otherwise.’
Idem, p. 1410 (Alito, J., concurring): ‘ATS suits against foreign corporations may provoke – and, indeed, frequently have provoked – exactly the sort of diplomatic strife inimical to the fundamental purpose of the ATS.’
Idem, p. 1408 (plurality).
Idem.
Een vergelijkbare terughoudendheid ligt volgens het Hooggerechtshof in de rede indien toewijzing van de vordering ingrijpende gevolgen zou kunnen hebben voor de buitenlandse betrekkingen. Illustratief hiervoor is de rechtspraak over de mogelijkheid om buitenlandse onderdanen en bedrijven voor de Amerikaanse federale rechter aansprakelijk te stellen voor schendingen van internationaal recht. Met het oog daarop heeft het Congres een bijzondere wet aangenomen: het Alien Tort Statute. Op grond van deze wet is de Amerikaanse federale rechter bevoegd van geschillen hierover kennis te nemen. De grondslag en de voorwaarden voor aansprakelijkheid moeten in beginsel worden neergelegd in andere wetgeving. Het Alien Tort Statute regelt in zoverre uitsluitend de rechtsmacht van de rechter.
In de zaak Sosa v. Alvarez-Machain (hierna: Sosa) heeft het Hof hierop een uitzondering aanvaard, door te overwegen dat de Amerikaanse rechter ook bij het ontbreken van een uitdrukkelijke wettelijke grondslag onder bepaalde voorwaarden aansprakelijkheid zou mogen aannemen.1 In deze zaak ging het om een Mexicaanse verdachte die in Mexico was ontvoerd en naar de Verenigde Staten was overgebracht omdat hij ervan werd verdacht betrokken te zijn geweest bij de moord op een Amerikaanse agent. De verdachte werd later vrijgesproken. Daarop startte hij een procedure voor de Amerikaanse rechter tegen onder meer de Mexicaanse agent die een belangrijke rol had gespeeld bij zijn overbrenging naar de Verenigde Staten.
Het Hof liet doorschemeren dat de Amerikaanse rechter, bij het ontbreken van een uitdrukkelijke wettelijke grondslag daarvoor, aansprakelijkheid mag aannemen indien aan twee voorwaarden is voldaan: (i) er moet sprake zijn van een schending van een duidelijke rechtsnorm van internationaal recht en (ii) het aannemen van aansprakelijkheid mag niet op overwegende bezwaren stuiten in het licht van de trias. Omdat in Sosa niet aan de eerste voorwaarde was voldaan, wees het Hof de vorderingen af.2
Voor dit onderzoek is interessant dat deze terughoudendheid zich tegenwoordig vooral toespitst op de twee voorwaarde uit Sosa. Ter illustratie hiervan kan worden gewezen op de recente zaak Jesner v. Arab Bank.3 Daarin moest het Hof zich uitlaten over de mogelijkheid om buitenlandse bedrijven voor de Amerikaanse federale rechter aansprakelijk te stellen voor schendingen van internationaal recht. Concreet ging het om een in Jordanië gevestigde bank die ervan werden verdacht diensten aan terroristische organisaties te hebben verleend. Eisers in deze zaak waren slachtoffers van terroristische aanslagen of hun nabestaanden.4
In Jesner v. Arab Bank weigerde het Hof aansprakelijkheid aan te nemen. Daargelaten of het internationale recht de aansprakelijkheid van rechtspersonen erkent, was in ieder geval niet aan de tweede voorwaarde uit Sosa voldaan.5 Volgens het Hof is het aan de wetgever en niet aan de rechter om aansprakelijkheid voor buitenlandse bedrijven in het leven te roepen. Dit geldt temeer nu aansprakelijkheid van buitenlandse bedrijven raakt aan het buitenlands beleid, en daarmee aan een beleidsterrein dat grondwettelijk gezien door de President en het Congres moet worden vormgegeven.6 Het aannemen van aansprakelijkheid van buitenlandse bedrijven zou ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de buitenlandse betrekkingen.7 De wetgever zal deze gevolgen moeten beoordelen en afwegen tegen het belang dat hij eraan hecht dat buitenlandse bedrijven die in de Verenigde Staten zaken doen mensenrechten en ander internationaal recht respecteren:
‘Congress might determine that violations of international law do, or should, impose […] liability to ensure that corporations make every effort to deter human-rights violations and so that, even when those efforts cannot be faulted, compensation for injured persons will be a cost of doing business.’8
Het Hof concludeerde dat, nu het erkennen van aansprakelijkheid ingrijpende gevolgen zou hebben voor de buitenlandse betrekkingen, er overwegende bezwaren daaraan in de weg stonden. De vorderingen tegen de in Jordanië gevestigde bank dienden daarom te worden afgewezen:
‘All this underscores the important separation-of-powers concerns that require the Judiciary to refrain from making these kinds of decisions under the ATS. The political branches […] surely are better positioned than the Judiciary to determine if corporate liability would, or would not, create special risks of disrupting good relations with foreign governments.’9