Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/5.6.2
5.6.2 Toewijzing zou grote gevolgen hebben voor de binnenlandse veiligheid
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233694:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Supreme Court 19 juni 2017, 137 S.Ct. 1843 (Ziglar v. Abbasi). Zie hierover ook Bell 2018; Lobel 2018; Harvard Law Review 2018b, p. 313-322.
U.S. Supreme Court 21 juni 1971, 403 U.S. 388 (Bivens v. Six Unknown Names Agents of Federal Bureau of Narcotics).
Newman 2006, p. 473-474. Vgl. ook Lobel 2018, p. 2160; Bell 2018, p. 78: ‘[E]very right must have a remedy.’
U.S. Supreme Court 5 juni 1979, 442 U.S. 228 (Davis v. Passman); U.S. Supreme Court 22 april 1980, 446 U.S. 14 (Carlson v. Green).
U.S. Supreme Court 18 mei 2009, 556 U.S. 662 (Ashcroft v. Iqbal), 675. Skinner 2014, p. 465-470, bespreekt Bivens-acties in relatie tot de political question-doctrine zoals lagere rechters die toepassen.
Vgl. ook U.S. Supreme Court 13 juni 1983, 462 U.S. 296 (Chappell v. Wallace); U.S. Supreme Court 13 juni 1983, 462 U.S. 367 (Bush v. Lucas); U.S. Supreme Court 25 juni 1987, 483 U.S. 669 (United States v. Stanley); U.S. Supreme Court 25 juni 2007, 551 U.S. 537 (Wilkie v. Robbins).
U.S. Supreme Court 19 juni 2017, 137 S.Ct. 1843 (Ziglar v. Abbasi), 1861.
Idem, p. 1863: ‘There is a persisting concern, of course, that absent a Bivens remedy there will be insufficient deterrence to prevent officers from violating the Constitution.’
Idem. Vgl. ook recent U.S. Supreme Court 25 februari 2020, 140 S.Ct. 735 (Hernandez v. Mesa), waarin het Hof opnieuw weigerde een Bivens-actie te erkennen. In deze zaak ging het om een geschil waarbij een Amerikaanse grenswacht een 15-jarige Mexicaanse jongen had doodgeschoten. Het Hof kende niet alleen grote betekenis toe aan de mogelijke gevolgen van het erkennen van een Bivens-actie voor de nationale veiligheid, maar ook aan de gevolgen daarvan voor de buitenlandse betrekkingen, waarover hierna.
Idem. Zie kritisch Lobel 2018, p. 2160: ‘[T]he most dangerous aspect of Ziglar is its denial of accountability for officials’ actions that violate the Constitution and are taken in response to a national emergency or crisis.’
Een andere reden voor terughoudendheid bij de rechterlijke remedie kan zijn gelegen in de gevolgen voor de binnenlandse veiligheid. Ter illustratie kan worden gewezen op de recente zaak Ziglar v. Abbasi over het optreden van de Amerikaanse autoriteiten naar aanleiding van de terroristische aanslagen op 11 september 2001.1 Na die aanslagen besloten de autoriteiten op grote schaal burgers die gelet op hun herkomst met terrorisme in verband konden worden gebracht en zonder verblijfstitel op Amerikaans grondgebied verbleven te arresteren. Diverse burgers startten na hun vrijlating vele maanden later zogenoemde ‘Bivens-acties’ tegen de betrokken overheidsfunctionarissen. Daaraan legden zij ten grondslag dat zij vaak onder barre omstandigheden waren vastgehouden en tijdens hun detentie waren mishandeld.
De grondslag voor de zojuist bedoelde Bivens-acties is gelegen in de zaak Bivens v. Six Unknown Names Agents of Federal Bureau of Narcotics.2 Daarin ging het om een huiszoeking die in strijd was met het Vierde Amendement nu daarvoor geen toestemming was gegeven en daarbij onevenredig geweld was gebruikt. Hoewel een wettelijke grondslag daarvoor ontbrak, oordeelde het Hof dat de betrokken functionarissen persoonlijk aansprakelijk konden worden gesteld voor de geleden schade.
Aangenomen wordt dat het Hof met de erkenning van Bivens-acties een belangrijke bijdrage leverde aan de bescherming van individuele rechten van burgers. Zoals het Hof in Marbury v. Madison heeft overwogen, is dit een belangrijke taak van de rechter. Inherent aan de bescherming van grondrechten is dat zij uiteindelijk moeten kunnen worden afgedwongen: ‘rights without remedies are meaningless’.3
Toch is de erkenning van Bivens-acties inmiddels zeer omstreden. Sinds de erkenning daarvan in 1971 heeft het Hof slechts in twee andere zaken dergelijke acties aanvaard.4 In andere zaken heeft het Hof echter steevast geweigerd om dat te doen. Daarmee lijkt het Hof van koers te zijn veranderd. Uitgangspunt is volgens het Hof nu dat het aan de wetgever en niet aan de rechter is om een eventuele grondslag voor aansprakelijkheid te creëren. Het aanvaarden van Bivens-acties staat daarmee op gespannen voet en moet volgens het Hof tegenwoordig worden beschouwd als een ‘disfavored judicial activity’.5 Bijzondere factoren zullen daar in de regel nu tegen pleiten.6
Ziglar v. Abbasi past in deze lijn. Ook in deze zaak zag het Hof geen ruimte voor een Bivens-actie. Bepalend daarvoor achtte het dat de verweten gedragingen van de betrokken functionarissen onderdeel waren van het beleid van de Amerikaanse regering na 9/11. Dit beleid was bedoeld ter bescherming van de binnenlandse veiligheid. Het Hof benadrukte dat de President en het Congres daarvoor verantwoordelijk zijn. De rechter moet ervoor waken om in dit verband zijn eigen oordeel en afweging van de relevante feiten en omstandigheden in de plaats te stellen van die van de President en het Congres:
‘National-security policy is the prerogative of the Congress and President. Judicial inquiry into the national-security realm raises concerns for the separation of powers in trenching on matters committed to the other branches.’7
Volgens het Hof zou de erkenning van een Bivens-actie het beleid van de regering op het gebied van de binnenlandse veiligheid ter discussie kunnen stellen en kunnen doorkruisen. Concreet zou de mogelijke dreiging van een dergelijke actie overheidsfunctionarissen ervan kunnen weerhouden dit beleid uit te voeren.8 Dit is volgens het Hof een bijzondere factor die tegen de erkenning van een Bivens-actie pleitte:
‘If Bivens liability were to be imposed, high officers who face personal liability for damages might refrain from taking urgent and lawful action in a time of crisis.’9
Hoewel het Hof erkende dat overheidsfunctionarissen geen vrijbrief mogen krijgen om te pas en te onpas grondrechten te kunnen schenden, is het volgens het Hof aan de wetgever en niet aan de rechter om alle betrokken belangen af te wegen en naar aanleiding daarvan al dan niet een grondslag voor aansprakelijkheid te creëren. Of zoals het Hof het formuleerde:
‘There is […] a balance to be struck […] between deterring constitutional violations and freeing high officials to make the lawful decisions necessary to protect the Nation in times of great peril. The proper balance is one for the Congress, not the Judiciary, to undertake.’10