Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/4.4.3
4.4.3 De Midland-doctrine
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS298346:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 2.7. in de bijlage bij de conclusie van A-G Overgaauw van 10 april 2007, bij de zaken 42 863 en 42 868, V-N 2007/25.29.
HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-98/98 (Midland Bank Plc), BNB 2001/118 (noot Van Hilten).
HvJ EG 22 februari 2001, zaak C-408/98 (Abbey National Plc), V-N 2001/15.26.
HvJ EG 27 september 2001, zaak C-16/00 (Cibo Participations SA), V-N 2001/55.7.8.
In navolging van A-G Overgaauw t.a.p.
De aanhalingstekens zijn door mij (SB) geplaatst. Art. 17, lid 2, Zesde richtlijn: ‘Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken: ..’. Het is vreemd dat in de Nederlandse vertaling de aanhalingstekens niet voorkomen. Ze komen wel voor in de officiële Franse, Engelse en Duitse vertaling van het arrest van het Hof van Justitie EU.
Zie ook Van Hilten in haar noot onder HR 10 januari 2001, nr. 34 977, BNB 2001/120.
Enkele jaren na het BLP-arrest volgde een trits van arresten waarin het Hof van Justitie EU een aantal, voor de bepaling van het recht op aftrek van voorbelasting belangrijke beginselen formuleert en uitwerkt. A-G Overgaauw noemt de door het Hof van Justitie EU ontwikkelde leer de ‘Midland-doctrine’.1 Het gaat om de volgende drie arresten:
Midland Bank-arrest.2 Kort samengevat was de casus in het Midland-arrest de volgende. Midland Bank is een bank die zowel vrijgestelde als belaste prestaties verrichtte. Zij verkocht een deelneming aan een Amerikaanse afnemer. Na de verkoop ontstond er een geschil met de afnemer. In verband met dit geschil maakte Midland Bank advocaatkosten. Midland Bank wenste de op de advocaatkosten drukkende btw volledig in aftrek te brengen, omdat de kosten betrekking hadden op een vrijgestelde financiële prestatie aan een afnemer buiten de EU (zie art. 169, letter c, jo. art. 135, lid 1, letter f, btw-richtlijn). De Britse Belastingdienst meende dat de op de advocaatkosten drukkende voorbelasting slechts aftrekbaar was op basis van de voor de bank geldende pro rata.
Abbey National I-arrest.3 Abbey National verkocht en leverde (rechten op) onroerende zaken die zij volledig belast exploiteerde. De overdracht was buiten de btw-heffing gebleven omdat daarop de op art. 5, lid 8, Zesde richtlijn gebaseerde Britse bepaling van toepassing was.4 Ten behoeve van de overdracht had Abbey National kosten gemaakt waarop btw drukte. Deze btw wilde zij volledig in aftrek brengen. De Britse Belastingdienst betoogde dat aangezien de ten behoeve van de overdracht gedane uitgaven zijn aangewend voor een niet-belaste handeling, geen recht op aftrek van de over deze uitgaven betaalde voorbelasting bestond.
Cibo-arrest.5 Cibo is een tussenhoudster die belangrijke participaties heeft in drie gespecialiseerde ondernemingen in de rijwielsector. Cibo wenste de voorbelasting in aftrek te brengen die drukte op een aantal door derden verrichte en in rekening gebrachte diensten in verband met de verwerving van deelnemingen in haar dochterondernemingen. Deze diensten betroffen met name de doorlichting van bedrijven, bemiddeling bij de onderhandelingen over de aankoopprijs van de aandelen, het realiseren van de overname van de bedrijven en een verrichting op juridisch en fiscaal gebied. Cibo betoogde dat zij zich tegen vergoeding in het beheer van de dochterondernemingen mengde en dat de kosten in verband met haar deelnemingen als algemene kosten moesten worden aangemerkt. De Franse Belastingdienst meende echter dat Cibo niet kon worden aangemerkt als een moeiende houdster, daarom niet belastingplichtig was en geen recht op aftrek genoot.
Deze doctrine heeft het Hof van Justitie EU voor het eerst geformuleerd in het Midland-arrest en later, wat puntiger verwoord, herhaald in het Abbey National I-arrest. Ik citeer hier de relevante overwegingen uit het Abbey National I-arrest.6 Het Hof van Justitie EU zegt het daarin als volgt:
24. Om te beginnen zij eraan herinnerd, dat de aftrekregeling tot doel heeft de ondernemer geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde BTW. Het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde waarborgt derhalve een volstrekt neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits die activiteiten op zich aan de heffing van BTW zijn onderworpen (zie onder meer arresten van 14 februari 1985, Rompelmann, 268/83, Jurispr. blz. 655, punt 19; van 15 januari 1998, Ghent Coal Terminal, C-37/95, Jurispr. blz. I-1, punt 15; van 21 maart 2000, Gabalfrisa e.a., C-110/98 tot C-147/98, Jurispr. blz. I-1577, punt 44, en van 8 juni 2000, Midland Bank, C-98/98, Jurispr. blz. I-4177, punt 19).
25. Artikel 17, lid 5, van de Zesde richtlijn, tegen de achtergrond waarvan artikel 17, lid 2, moet worden uitgelegd, regelt het recht op aftrek van voorbelasting die betrekking heeft op goederen en diensten die door de belastingplichtige in een eerder stadium zowel worden gebruikt voor handelingen als bedoeld in de leden 2 en 3, als voor handelingen waarvoor geen recht op aftrek bestaat. De formulering ‘gebruikt voor’7 wijst erop, dat het in lid 2 bedoelde recht op aftrek een rechtstreeks en onmiddellijk verband vereist tussen de verworven goederen of diensten en de handelingen in een later stadium waarvoor recht op aftrek bestaat, en dat het doel dat de belastingplichtige uiteindelijk beoogt te bereiken, niet relevant is (zie arrest van 6 april 1995, BLP Group, C-4/94, Jurispr. blz. I-983, punten 18 en 19, en arrest Midland Bank, reeds aangehaald, punt 20).
26. Zoals het Hof heeft uiteengezet in punt 24 van het arrest Midland Bank, reeds aangehaald, moeten de artikelen 2 van de Eerste richtlijn en 17, leden 2, 3 en 5, van de Zesde richtlijn aldus worden uitgelegd, dat er in beginsel een rechtstreeks en onmiddellijk verband dient te bestaan tussen een bepaalde handeling in een eerder stadium en een of meer in een later stadium verrichte handelingen waarvoor recht op aftrek bestaat, opdat aan de belastingplichtige een recht op aftrek van de voorbelasting kan worden toegekend en de omvang van dat recht kan worden bepaald.
27. Er zij bovendien aan herinnerd dat volgens het fundamentele beginsel van het BTW-stelsel, dat is neergelegd in de artikelen 2 van de Eerste en van de Zesde richtlijn, bij elke transactie inzake productie of distributie BTW verschuldigd is, onder aftrek van de BTW waarmee de onderscheidene elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast (arrest Midland Bank, reeds aangehaald, punt 29).
28. Uit dat beginsel en uit de regel, dat voor het recht op aftrek een rechtstreeks en onmiddellijk verband tussen de gebruikte goederen of diensten en de belaste handelingen moet bestaan, volgt, dat het recht op aftrek van de BTW die op deze goederen of diensten drukt, vooronderstelt dat de voor het verwerven van die goederen of diensten gedane uitgaven een van de bestanddelen van de prijs van de belaste handelingen zijn. Die uitgaven moeten dus een onderdeel zijn van de kosten van de in een later stadium verrichte handelingen waarbij van die goederen en diensten gebruik wordt gemaakt. Om die reden moeten die elementen van de kosten normalerwijze zijn ontstaan voordat de belastingplichtige de belaste handelingen verricht waarop zij betrekking hebben (zie arrest Midland Bank, reeds aangehaald, punt 30).
Uit deze Midland-doctrine leid ik af wat ik het beginsel van de doorberekende kosten zou willen noemen: aangenomen kan worden dat goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen wanneer de voor het verwerven van die goederen en diensten gedane uitgaven onderdeel zijn van de kosten van de verrichte belaste handelingen waarbij van die goederen en diensten gebruik wordt gemaakt; normalerwijze zal dat betekenen dat de uitgaven zijn ontstaan voordat de belaste handelingen worden verricht.
Het Hof van Justitie EU laat nog een kleine opening voor een uitzondering op deze hoofdregel in ro. 32: er kan een rechtstreeks en onmiddellijk verband van nagekomen kosten met eerdere belastingplichtige handelingen aangenomen worden als de belastingplichtige met objectieve elementen aantoont, dat de later gemaakte kosten bij wijze van uitzondering een bestanddeel van de prijs van die handeling vormen. Dit zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn bij kosten voor onder garantie verrichte werkzaamheden.8
In feite behelst de Midland-doctrine de uitleg van de woorden ‘gebruikt voor’ zoals die voorkomen in art. 17, lid 2, lid 3 en 5, Zesde richtlijn (thans art. 168, 169 en 173 btw-richtlijn). Deze uitleg is positief geformuleerd. Hij beschrijft onder welke voorwaarden recht op aftrek bestaat; hij geeft niet aan wanneer er geen recht op aftrek bestaat. In alle latere arresten waarin het Hof van Justitie EU verwijst naar de Midland-doctrine volhardt het in deze benadering. Door expliciet aan te geven wanneer wel recht op aftrek bestaat wordt impliciet ook duidelijk wanneer geen recht op aftrek bestaat. Ik kom hierop nog terug in onderdeel 4.4.6.