Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/4.11
4.11 Coherentiebeginsel
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS387426:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie zeer uitgebreid hierover Amaya 2015.
Dickson 2014.
Chalmers & Leverick 2008, p. 217-239 en 246-247, Ashworth 2009, p. 78-81.
Zie o.a. Visser 2001, p. 65 en 130.
De Van Dale omschrijft coherent als ‘samenhangend’, Van Dale 2014.
Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 1990/91, 22 008, nr. 2 (Beleidsplan Zicht op wetgeving), p. 29: ‘Als de onderlinge afstemming van regels binnen een rechtsstelsel te kort schiet, ontstaan er inconsistenties en onnodige fricties bij lagere regelgevers, uitvoerders, handhavers, de consument en de rechter. Onderlinge afstemming is in ten minste twee categorieën gevallen noodzakelijk. Ten eerste wanneer regelingen weliswaar een verschillend onderwerp betreffen, maar door hun effecten sterk op elkaar inwerken. (...) Dit kan in beginsel door coördinatie of door integratie van regelgeving of bestuurlijk optreden verholpen worden. Ten tweede is onderlinge afstemming gewenst in geval van onnodige en ongewenste verscheidenheid ten aanzien van dezelfde of verwante kwesties, in regelingen of in praktijken. (...) Door harmonisatie kan deze verschei- denheid worden teruggedrongen. Een belangrijke vorm van harmonisatie is het maken van wetboeken en algemene wetten, waarop de bijzondere wetten dan moeten worden afgestemd en waarvan ze niet nodeloos mogen afwijken.’
Chalmers & Leverick 2008, p. 217-239 en 246-247, Ashworth 2009, p. 78-81.
Zie ook Verheijen 2006, p. 326.
Nan 2011, p. 158. Dat gebruik moet worden gemaakt van consistente terminologie en dat de regel moet passen in het systeem van de wet is volgens Nan echter een uitvloeisel van het legaliteitsbeginsel. In dit onderzoek worden deze vereisten onder het coherentiebeginsel gebracht.
Het coherentiebeginsel wordt als relevant beginsel in het recht als zodanig erkend. Over de vraag wat het beginsel precies inhoudt en in hoeverre het een rol zou moeten spelen, zijn diverse theorieën uiteengezet.1 Er is algemene overeenstemming dat coherentie meer inhoudt dan een logische consistentie van wettelijke formuleringen, maar ook dat niet duidelijk is wat dat ‘meerdere’ dan precies is.2 In het strafrecht in het bijzonder wordt het coherentiebeginsel niet expliciet aangehaald. Wel wordt onderkend dat binnen het strafrecht sprake dient te zijn van eerlijke en vanzelfsprekende kwalificaties (fair labelling)3 en dat regels onderling afgestemd en met elkaar in samenhang dienen te zijn.4 Deze normen zijn in principe terug te voeren op het coherentiebeginsel. De grondidee achter deze uitgangspunten is namelijk dat regels met elkaar samen dienen te hangen en moeten passen in het bestaande wetssysteem.5 De wetgever onderschrijft dit uitgangspunt.6 Het doel van dit onderzoek is niet een ware definitie van het coherentiebeginsel in het strafrecht te formuleren. Wel worden diverse onderwerpen uit de literatuur gedestilleerd die ondergebracht kunnen worden onder een beginsel van coherentie en die als toetsstenen kunnen worden gehanteerd bij de vormgeving van een delictsomschrijving. Die onderwerpen zijn: de rubricering van het strafbare feit, het verbod van strijdigheid met een andere regel, de consistente terminologie en de passendheid van de strafbepaling in het wettelijke stelsel als geheel.
Wat betreft rubricering dient een delict een eerlijk ‘label’ te krijgen dat past in het systeem van de wet. Labels of kwalificaties zijn van belang omdat ze kort beschrijven voor het algemene publiek om wat voor strafbaar gedrag het gaat (een bepaald soort misdrijf of overtreding). Naast het beschrijvende element, is fair labelling van belang binnen het strafrechtsysteem omdat op die manier differentiatie aangebracht kan worden. Op basis van de ernst (de kwalificatie) van het strafbare gedrag kunnen door het justitiële apparaat maatregelen worden genomen, kunnen straffen worden opgelegd, of blokkeert een bepaald soort strafblad zekere toekomstperspectieven. Voor de overtreders zelf is relevant dat zij veroordeeld en gestraft worden in evenredigheid met hun wangedrag. Tot slot is het voor de slachtoffers van belang dat een passende kwalificatie wordt gegeven aan hetgeen hen is aangedaan.7 Het moet dus begrijpelijk zijn dat een delict onder een bepaalde titel wordt geschaard. En het onderscheid tussen een overtreding en misdrijf moet logisch zijn. Voorts dient de strafbedreiging vergelijkbaar te zijn met verwante delicten.8 Op dit punt kan dit beginsel overlap vertonen met het proportionaliteitsbeginsel. De vraag of een strafbaar feit een ‘eerlijk label’ krijgt ziet immers ook op evenredigheid. Het proportionaliteitsbeginsel is evenwel breder dan fair labelling, het bekijkt in zijn algemeenheid of de inschakeling van het strafrecht in verhouding staat tot het gedrag in kwestie.
Een ander relevant thema bij coherentie is dat de regel niet strijdig is met een andere regel. Er dient geen onduidelijkheid te zijn over welke regel in een bepaald geval gelding heeft. Verder moet gebruik worden gemaakt van een consistente terminologie. De regel moet bovendien passen binnen het systeem van de wet. Het wettelijke stelsel als geheel moet een zekere samenhang hebben.9 Er wordt bij deze laatste subcategorie ook ingegaan op de mogelijkheid van het benutten van algemene strafrechtleerstukken, zoals deelneming, poging en voorbereiding ten aanzien van bepaald strafrechtelijk gedrag.
De vragen die op basis van dit beginsel dus kunnen worden gesteld zijn:
Is de rubricering van het strafbare feit eerlijk en vanzelfsprekend?
Is het verbod strijdig met een andere regel?
Wordt gebruik gemaakt van consistente terminologie?
Past de strafbepaling in het wettelijke stelsel als geheel?