Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/4.8
4.8 Daadstrafrechtbeginsel
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS390992:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Remmelink 1996, p. 134. Zie ook Kelk & De Jong 2013, p. 61 en 73 en Knigge & Wolswijk 2015, p. 55-56.
De Hullu 2014, p. 153.
Dat het Nederlandse strafrecht geen intentiestrafrecht is, wordt ook door de wetgever erkend. Zij bijvoorbeeld Kamerstukken II 1991/92, 22 268, nr. 3, p. 5: ‘Het gedachtengoed als zodanig is strafrechtelijk vrij. Cogitationis poenam nemo patitur (letterlijk: voor denken kan niemand aan bestraffing blootgesteld worden). Fuers Denken kann man Keinen henken. Alle klassieke, door de eeuwen gepolijste adagia die aan hetzelfde principe van beperking der staatsmacht uitdrukking geven. Slechts de op een bepaalde tijd en plaats verrichte gedraging met bijbehorende omstandigheden, te rubriceren onder een wettelijke delictsomschrijving, dient onderwerp te zijn van strafrechtelijke interventie.’ En Kamerstukken II 1991/92, 22 268, nr. 5, p. 13: ‘Daarin moeten wel voldoende objectieve bestanddelen worden genoemd om uit te sluiten dat het strafrecht tot een intentiestrafrecht zou verworden (...)’, Kamerstukken II 1991/92, 22 268, nr. 7, p. 12: ‘De leden van de PvdA-fractie wezen er nog op, dat een enkele gezindheid of mentaliteit op zich toch nooit grond voor bestraffing op kunnen leveren. Zij vroegen zich af of ik in de door deze leden geciteerde passages niettemin toch het pleit heb willen voeren voor een intentiestrafrecht. Dat is zeker niet mijn bedoeling. Ik heb slechts willen stellen dat een gevaarlijke intentie, die kenbaar is aan de in de voorgestelde delictsomschrijving opgenomen objectieve bestanddelen, een rechtsgrond voor bestraffing moet kunnen opleveren.’ Zie ook Van Kempen & Fedorova 2015, p. 51.
Zie ook Ashworth 2009, p. 84.
Van Kempen, Kraniotis & Van Roermund 2007, p. 2 en De Hullu 2014, p. 154.
De Hullu 2014, p. 154.
Van Kempen & Fedorova 2015, p. 52.
Van Kempen & Fedorova 2015, p. 51.
Buruma 2007, p. 25, 33 en 37.
Van Kempen & Fedorova 2015, p. 53.
Van Kempen & Fedorova 2015, p. 57-58.
Het Nederlandse strafrecht wordt ook wel een daadstrafrecht genoemd. Er moet door een rechtssubject iets zijn gedaan. Het enkele ‘zijn’ kan geen strafbaar feit opleveren. Niet de dader als sociaal schadelijk individu, maar diens handelen is doorslaggevend.1 Aan de gedraging wordt de eis van de ‘uiterlijke waarneembaarheid’ gesteld.2 Gedachten en gevoelens zijn strafrechtelijk vrij.3 Naast het beginsel van mens rea, moet dus sprake zijn van een actus reus, een ‘schuldige gedraging’.4 In vrijwel alle delictsomschrijvingen wordt in overeenstemming met het uitgangspunt van een daadstrafrecht een bepaalde gedraging als bestanddeel nader en specifiek omschreven.5 Deze gedragingen moeten mede worden bezien in het licht van de overige bestanddelen en zullen per delict verschillen in bepaaldheid. Bij de omschrijving van de delictsgedraging kan de nadruk liggen op handelen of nalaten of op een combinatie van ‘doen en laten’. Indien de nadruk ligt op ‘nalaten’ en de gedraging functioneler en abstracter wordt beoordeeld, wordt het begrip ‘daadstrafrecht’ wat diffuser.6 Bij nalaten is de reden van strafrechtelijke aansprakelijkheid gelegen in het feit dat de persoon door niet te handelen een strafrechtelijk relevant gevolg heeft veroorzaakt of niet heeft voorkomen. De aansprakelijkheid is dus niet gebaseerd op ‘het enkel zijn’ of op ‘alleen gedachten’, maar gegrond op de idee dat de bestaande mogelijkheid een strafrechtelijk gevolg tegen te gaan niet is benut.7 Ook bij onvolkomen delictsoorten (strafbare voorbereiding, poging en samenspanning) komt het daadstrafrechtbeginsel wat minder duidelijk naar voren. Tegelijkertijd staat bij deze delicten een gedraging centraal, die gedraging moet concreet gericht zijn op een bepaald misdrijf. Het gaat dus steeds om feitelijk gevaarzettende handelingen.8 Buruma hanteert als uitgangspunt dat het moet gaan om een gedraging die een verandering teweegbrengt waardoor het delict aantoonbaar dichterbij is gebracht.9 Fedorova en Van Kempen werken dit verder uit: volgens hen dient de gedraging er daadwerkelijk voor te zorgen dat de verwerkelijking van het delict realistischer wordt. De gedraging hoeft op zichzelf niet per se strafwaardig te zijn (het meevoeren van een honkbalknuppel kan bijvoorbeeld geschieden in het kader van een te spelen honkbalwedstrijd, maar kan ook dienen als voorbereiding van een zware mishandeling), als het voldoende aannemelijk reële gevolg van die gedraging dat maar wel is.10 Een gebiedsstrafbaarstelling van verblijf op een door terroristische organisatie gecontroleerd grondgebied verhoudt zich volgens de auteurs moeilijk met het daadstrafrechtbeginsel.11 Het verblijven op zo een gebied betekent immers niet altijd dat de verwezenlijking van een delict in concreto daadwerkelijk realistischer wordt. Van een wezenlijk verband tussen het ‘verblijven’ en het ontstaan van een strafrechtelijk relevante werkelijkheid is dan geen sprake.12
Het daadstrafrechtbeginsel spoort de wetgever aan bij het vormgeven van delictsomschrijvingen gedragingen als bestanddeel op te nemen die kunnen leiden tot strafrechtelijk relevante gevolgen. Een delict dient niet op een dergelijke wijze te worden ontworpen dat ‘het enkele zijn’ of ‘alleen gedachten’ strafbaar zijn.
De relevante vraag bij dit beginsel is aldus:
Zorgt de verboden gedraging er daadwerkelijk voor dat de verwerkelijking van het strafrechtelijk relevante gevolg realistischer wordt?