Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/4.6
4.6 Geen strijd met fundamentele mensenrechten
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS390991:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Ashworth 2009, p. 31.
EHRM 2 augustus 1984, Malone v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 8691/79 (§ 66), NJ 1988/ 534 m.nt. Van Dijk.
EHRM 30 maart 1989, Chappell v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 10461/83 (§ 56), NJ 1991/ 522 m.nt. Dommering. Zie ook De Vocht in T&C Sv, art. 8 EVRM, aant. 4.
EHRM 26 april 1979, Sunday Times v. Verenigd Koninkrijk, appl.nr. 6538-74 (§ 49), NJ 1980/146.
EHRM 16 december 1992, Niemietz v. Duitsland, appl.nr. 13710/88 (§ 29), NJ 1993/400 m.nt. Dommering, Harris, O’Boyle, Bates & Buckley 2014, p. 525.
Harris, O’Boyle, Bates & Buckley 2014, p. 525.
EHRM 26 maart 1985, X en Y v. Nederland, appl.nr. 8978/80, NJ 1985/525 m.nt. Alkema, Harris, O’Boyle, Bates & Buckley 2014, p. 526.
Potentieel vormt het zelfs een ongewenste inbreuk op het privéleven van het ‘slachtoffer’ indien het slachtoffer zich wil laten uitbuiten, maar dit wordt gefrustreerd door strafbepalingen (de negatieve verplichting van artikel 8 EVRM, geen overheidsbemoeienis met privéleven, botst dan met de positieve verplichting van artikel 8 EVRM, de overheid moet maatregelen nemen ter waarborging van het privéleven, ook tussen burgers). Het voert in het kader van dit onderzoek te ver om uitgebreid in te gaan op de negatieve ten opzichte van de positieve verplichtingen van artikel 8 EVRM. Dit toetsingskader gaat enkel uit van de mogelijke inbreuk die strafbaarstelling met zich brengt op het privéleven van de mensenhandelaar.
Dit beginsel kan ook worden afgeleid uit een van de relatieve criteria van Hulsman dat strafbaarstelling onwenselijk is indien het gedrag betreft dat vooral voorkomt bij sociaal zwakke groepen in de samenleving of bij die groepen die aan discriminatie bloot staan, of waarbij het risico van discriminatie groot is, zie Hulsman 1972, p. 91. Zie ook Remmelink 1996, p. 72.
Visser 2001, p. 78.
Raad van State 2013, Boerkaverbod in de openbare ruimte (https://jaarverslag2013.Raadvanstate.nl/jaarverslag-2011/aDU2123_Boerkaverbod-in-de-openbare-ruimte.aspx). Het EHRM oordeelt hierover trouwens genuanceerder. Zie bijvoorbeeld: EHRM 10 november 2005, Leyla Şahín v. Turkije, appl.nr. 44774/98, EHRC 2006/15 m.nt. Verhey. Geen schending van artikel 8, 9, 10 en 14 EVRM bij verbod op burka medicijnenstudent.
Strafbaarstellingen mogen niet in strijd zijn met fundamentele mensenrechten.1 Te denken valt aan het recht op privacy (artikel 8 EVRM, artikel 17 IVBPR), de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst (artikel 9 EVRM, artikel 18 IVBPR), de vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM, artikel 19 IVBPR), de vrijheid van vergadering en vereniging (artikel 11 EVRM, artikel 21 en 22 IVBPR), het gelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie (artikel 1 Grondwet, artikel 14 EVRM, artikel 26 IVBPR). Beperkingen van artikel 8, 9, 10 en 11 EVRM zijn evenwel toegestaan indien deze zijn voorzien bij wet en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving gelet op de legitiem opgesomde doelen. De strafbaarstelling van bepaald gedrag kan een inbreuk vormen op de privacy, de vrijheid van gedachte, van meningsuiting of van vergadering. Met het opnemen van strafbepalingen in het Wetboek van Strafrecht wordt echter voldaan aan het vereiste dat de beperking een basis in de wet heeft. Maar de bepaling dient ook te voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen: het moet toegankelijk en voorzienbaar zijn. De toegankelijkheid vereist dat de burger kennis kan nemen van de toepasselijke regelgeving.2 Dit betekent in ieder geval dat de regelgeving gepubliceerd dient te zijn.3 De voorzienbaarheidseis houdt in dat de regelgeving op basis waarvan een inbreuk kan worden gemaakt op het mensenrecht voldoende precies is geformuleerd zodat de burger kan voorzien onder welke omstandigheden zijn recht kan worden ingeperkt.4 Indien aan deze kwaliteitseisen is voldaan en de wetgever voorts aannemelijk kan maken dat de strafbaarstelling en vervolging plaatsvindt in het belang van de democratische samenleving – gelet op de doelen zoals vermeld in het EVRM – zal in beginsel geen strijd met deze fundamentele mensenrechten aan de orde zijn. Mits ook in het concrete geval strafrechtelijk optreden door de overheid proportioneel is.
Artikel 8 EVRM behelst het recht op privacy. Dit recht bestrijkt vier verschillende belangen: respect voor het privéleven, het familie- en gezinsleven, de woning en de correspondentie. Wat betreft de strafbaarstelling van mensenhandel verdient met name het eerste belang aandacht: het privéleven. Het EHRM geeft evenwel geen algemene definitie van ‘het privéleven’. Het betreft een breed concept dat diverse aspecten kan omvatten. Mensen moeten in beginsel hun leven kunnen leiden zonder willekeurige (overheids)be- moeienis. Zo hebben mensen het recht om relaties met anderen aan te gaan en te onderhouden, in het bijzonder op emotioneel gebied in het kader van de persoonlijke ontwikkeling.5 Tegelijkertijd heeft het EHRM van het bereik van artikel 8 EVRM uitgesloten de relaties die zo breed en onbepaald zijn dat er geen voorstelbare direct link is tussen de acties van de staat en het privéleven van de burger. Het feit dat een activiteit iemand in staat stelt relaties met anderen aan te gaan, betekent dus niet per definitie dat dit valt binnen de reikwijdte van artikel 8 EVRM. Waar de grens evenwel getrokken moet worden, is niet duidelijk.6 Voorts valt de fysieke en morele integriteit binnen het concept van privéleven.7 Het verbod in artikel 273f Sr kan mogelijk een inbreuk vormen op het privéleven aangezien het daders beperkt onder bepaalde omstandigheden (arbeids)relaties aan te gaan met anderen.8Hoofdstuk 5 gaat hier nader op in. Mocht sprake zijn van een inbreuk, dan wordt aan de hand van het klassieke toetsingsschema bezien of deze inbreuk gerechtvaardigd is of dat het een schending van artikel 8 EVRM oplevert.
De artikelen 9 tot en met 11 EVRM beschermen diverse ‘vrijheden’ tegen interventie van de overheid. Zo stelt artikel 9 EVRM dat een ieder het recht heeft op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid alleen, of met anderen, zowel in het openbaar als privé de godsdienst te belijden of overtuiging tot uitdrukking te brengen in erediensten, in onderricht, in praktische toepassing ervan en in het onderhouden van geboden en voorschriften. Artikel 10 EVRM betreft het recht op de vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. En tot slot, artikel 11 EVRM behelst het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen. Deze rechten lijken bij de strafbaarstelling van mensenhandel niet direct in het geding. Die strafbaarstelling heeft immers niets van doen met geloofsovertuiging, de vrijheid van meningsuiting of vrijheid van vereniging. Voor zover een inbreuk op deze rechten niet aan de orde is, hoeft dan ook geen nadere toetsing plaats te vinden.
Als laatste mag de criminalisering van bepaald gedrag geen (verkapt) discriminatiebeleid ten aanzien van bepaalde burgers inhouden en geen ongelijkheid creëren. Gelijke gevallen dienen gelijk te worden behandeld: de vormgeving van een strafbepaling moet bepaalde groepen in de samenleving niet ten onrechte veel raken. En discriminatie op grond van godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond is niet toegestaan.9 Een regeling mag geen willekeurig of ongemotiveerd onderscheid maken tussen personen of groepen uit de samenleving.10 In dit kader is in Nederland bijvoorbeeld een algemeen boerkaverbod bediscussieerd.11 De Raad van State oordeelde hierover dat een dergelijk verbod uitsluitend betrekking heeft op de boerka en de nikab, die in Nederland tot nu toe door een zeer beperkt aantal personen, moslim vrouwen, wordt gedragen. Daarmee zou een niet gerechtvaardigd onderscheid worden gemaakt, dat rechtstreeks betrekking zou hebben op de godsdienst.12 Wat betreft arbeidsuitbuiting dient te worden beoordeeld of de strafbaarstelling aldus niet ten onrechte bepaalde groepen mensen discrimineert.
Gelet op het voorgaande zijn de relevante vragen bij dit beginsel:
Vormt de strafbaarstelling een inbreuk op artikel 8, 9, 10 en 11 EVRM en zo ja, is de strafbaarstelling toegankelijk, voorzienbaar en noodzakelijk in een democratische samenleving?
Raakt de strafbaarstelling bepaalde groepen in de samenleving ten onrechte veel of behelst de strafbaarstelling een (verkapt) discriminatiebeleid ten aanzien van bepaalde burgers?