De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland
Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/4.12:4.12 Conclusie
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/4.12
4.12 Conclusie
Documentgegevens:
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS388625:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De strafbaarstelling van mensenhandel en meer in het bijzonder arbeidsuitbuiting kan worden beoordeeld aan de hand van de regulerende beginselen van het strafrecht. Deze beginselen vormen geen harde criteria op grond waarvan dwingend kan worden bepaald wanneer een gedraging strafbaar moet worden gesteld. Dat neemt niet weg dat zij als fundamentele parameters van het strafrecht gelden en in die zin richting geven. De relativering van de beginselen zit hem dan ook niet in de waarde ervan, maar in het feit dat de verschillende afwegingen als geheel moeten worden beoordeeld en een totaalbalans dient te worden opgemaakt omtrent de beoordeling van een strafbaarstelling. De toetsing aan de regulerende beginselen biedt diepgaander inzicht in de voor- en nadelen van criminalisering. Aan de hand van deze toetsing kan een breder inzicht ontstaan in vragen, grenzen, mogelijkheden en bezwaren rondom de delictsomschrijving in artikel 273f Sr.
De regulerende strafrechtbeginselen betreffen het schadebeginsel, het subsidiariteitsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het effectiviteitsbeginsel, het beginsel dat strafbaarstelling niet in strijd mag zijn met fundamentele mensenrechten, het legaliteitsbeginsel, het daadstrafrechtbeginsel, het wederrechtelijkheidsbeginsel, het schuldbeginsel en het coherentiebeginsel.
Het schadebeginsel veronderstelt dat strafbaarstelling alleen is gerechtvaardigd ter voorkoming van schade aan anderen. Dit onderzoek hanteert in eerste instantie een enge invulling van het schadebeginsel. De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting wordt aldus zo min mogelijk moralistisch en paternalistisch beoordeeld. Dit uitgangspunt past het beste binnen de Nederlandse gedachte dat strafrecht het ultimum remedium moet zijn en dat het strafrecht in beginsel niet moralistisch van aard zou moeten zijn. Bovendien houdt een enge benadering rekening met het type gedrag en de tweestrijd tussen het strafbaar stellen van arbeidsuitbuiting enerzijds en het voorkomen van het criminaliseren van acceptabele werksituaties anderzijds (waardoor migratie, internationale samenwerking en economische handel en vooruitgang wordt belemmerd). Tegelijkertijd wordt aanvullend getoetst aan een ruim schadebeginsel en wordt ingegaan op de verschillen in uitkomst die de beide benaderingen hebben. Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de wetgever zich dient te onthouden van strafbaarstelling wanneer handhaving mogelijk is met andere en minder ingrijpende juridische of buitenjuridische middelen. Het proportionaliteitsbeginsel bepaalt dat de schadelijkheid van de gedraging evenredig dient te zijn aan de reactie van de staat. Het dwingt tot het in kaart brengen van de schade van de gedraging en de consequenties van strafbaarstelling in de maatschappij en tot een afweging daartussen. Het effectiviteitsbeginsel schrijft voor dat strafbaarstelling effect moet kunnen sorteren en dat adequate handhaving mogelijk moet zijn. Het beginsel dat strafrecht niet in strijd mag zijn met fundamentele mensenrechten heeft betrekking op de vragen of de strafbaarstelling een schending van artikel 8, 9, 10 of 11 EVRM oplevert en of de strafbaarstelling bepaalde groepen in de samenleving niet ten onrechte veel raakt dan wel een (verkapt) discriminatiebeleid ten aanzien van bepaalde burgers inhoudt. Wat betreft het legaliteitsbeginsel speelt voornamelijk het lex certa-beginsel een rol. Dit beginsel gebiedt de wetgever strafbaarstellingen zo nauwkeurig mogelijk te omschrijven zodat de burger voldoende in staat wordt gesteld zijn gedrag daarop af te stemmen. Het daadstrafrechtbeginsel spoort de wetgever verder aan om bij het vormgeven van delictsomschrijvingen gedragingen als bestanddeel op te nemen die kunnen leiden tot strafrechtelijk relevante gevolgen. Een delict dient niet op een dergelijke wijze te worden ontworpen dat ‘het enkele zijn’ of ‘alleen gedachten’ strafbaar zijn. Het wederrechtelijkheidsbeginsel stelt op zijn beurt dat gedrag dat niet in strijd is met geschreven of ongeschreven rechtsregels, niet tot strafrechtelijke aansprakelijkheid mag leiden. Bij het verwoorden van de delictsomschrijvingen dient de wetgever de wederrechtelijkheid gestalte te geven. Het schuldbeginsel houdt voorts in dat de menselijke daad daadwerkelijk verweten moet kunnen worden. Het resultaat moet te wijten zijn aan de schuld van de dader, voordat iemand strafrechtelijke aansprakelijk is. Het beginsel functioneert als instructienorm voor de wetgever om subjectieve bestanddelen bij de misdrijven op te nemen en daaraan een substantiële inhoud te geven. Tot slot gaat het bij het coherentiebeginsel om de vragen of de rubricering van het strafbare feit eerlijk en vanzelfsprekend is, of het verbod strijdig is met een andere regel en of gebruik wordt gemaakt van consistente terminologie en de strafbepaling past in het wettelijke stelsel als geheel.
De regulerende strafrechtbeginselen hangen met elkaar samen. Als een gedraging geen schade oplevert, en toch strafbaar wordt gesteld, doet dit geen recht aan het schadebeginsel. Dit stuit dan echter óók op bezwaren gelet op het proportionaliteitsbeginsel. Criminalisering beperkt immers de mogelijkheden van burgers bepaalde handelingen te verrichten. Indien de strafbepaling geen betrekking heeft op het tegengaan van schade, is het strafrechtelijke overheidsoptreden onevenredig. En bezwaren kunnen zich dan eveneens voordoen vanuit het subsidiariteitsbeginsel. Wanneer het potentiële slachtoffer (in de breedste zin van het woord) niet wordt geschaad door de verboden gedraging, noopt de positie van het slachtoffer en het belang van de bepaling niet tot de inzet van het strafrecht boven of naast het civiele- of administratieve recht. Het legaliteitsbeginsel en het schuldbeginsel staan eveneens met elkaar in verband. Indien de burger door te vage formuleringen onvoldoende kan weten wat de strafbepaling behelst, de bepaling niet kan overzien en zijn gedrag onvoldoende kan afstemmen, is er strijd met het legaliteitsbeginsel. Maar dan rijzen tevens problemen vanuit het schuldbeginsel. Door de onbepaaldheid van de formulering is immers niet duidelijk welk gedrag precies verwijtbaar is en wanneer sprake is van schuld. Verder staan het daadstrafrechtbeginsel en het wederrechtelijkheidsbeginsel met elkaar in relatie. Als een verbod zo ruim is geformuleerd dat iemand strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld terwijl hij in een normale hoedanigheid functioneert in de maatschappij en niet bijdraagt aan de verwerkelijking van strafrechtelijk relevante gevolgen, doet dit geen recht aan het daadstrafrechtbeginsel. Dan is er echter ook strijd met het wederrechtelijkheidsbeginsel aangezien de verboden gedraging geen onrechtmatig gedrag behelst.