Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.1.1.11
4.3.1.1.11 Betaling van welke schuld?
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS497824:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Voetnoten
Voetnoten
Over opeisbaarheid van vorderingen verwijs ik naar paragraaf 4.3.2.2.2.
Denk hierbij bijvoorbeeld aan het tegen vergoeding van rente verlenen van uitstel van betaling (vgl. HvJ 27 oktober 1993, nr. C-281/91, V-N 1993/4006, 27 (Muys en De Winter)).
Zoals incassokosten.
Dit is de reeds vervallen, opeisbare rente.
Deze zal in veel gevallen gelijk zijn aan de vergoeding, vermeerderd met btw, verschuldigd in verband met de (hoofd)prestatie, indien de rente daar niet reeds toe moet worden gerekend.
Dit is de aangroeiende, maar nog niet opeisbare rente.
Vgl. Hof Den Haag 11 juni 1998, V-N 1999/28.19.
Civielrechtelijk kader
Wanneer een schuldenaar meerdere schulden heeft aan dezelfde schuldeiser en aan de schuldeiser een bedrag betaalt dat ontoereikend is om al deze schulden te voldoen, rijst de vraag op welke schuld(en) deze betaling is gedaan. Regels hiervoor – ook wel toerekenings- of imputatievoorschriften genoemd – zijn vastgelegd in art. 6:43 en 6:44 BW.1 Volgens art. 6:43 lid 1 BW heeft de schuldenaar van verscheidene schulden bij het doen van de betaling het recht te bepalen tot delging van welke schuld de betaling bestemd is. Als een schuldenaar hierin geen beslissing maakt, dan bepaalt art. 6:43 lid 2 BW bijvoorbeeld dat toerekening in de eerste plaats geschiedt op opeisbare verbintenissen.2 Art. 6:44 BW ziet op betaling van rentedragende vorderingen.3 Het eerste lid van deze bepaling bepaalt dat betaling van een geldsom in de eerste plaats strekt in mindering van de kosten4, vervolgens in mindering van de verschenen rente5 en ten slotte in mindering van de hoofdsom6 en de lopende rente7. Het tweede lid bepaalt vervolgens dat een andere volgorde kan worden overeengekomen.
Fiscaalrechtelijk kader
In het kader van de internetconsultatie voor art. 29 Wet OB 1968 (vanaf 2017), meer specifiek met betrekking tot de herziening van het recht op teruggaaf bij een ‘betaling alsnog’ (paragraaf 4.3.3), heeft onder meer de NOB ervoor gepleit vast te houden aan de civielrechtelijke regels, wanneer een crediteur meerdere voor de btw relevante vorderingen heeft en een betaling ontoereikend is om alle schulden te voldoen. In het verslag naar aanleiding van de internetconsultatie heeft de staatssecretaris van Financiën aangegeven zich met dit betoog te kunnen verenigen:
“Dit volgt inderdaad uit de toerekeningsregel van artikel 6:44, lid 1 BW en de systematiek van de btw-wetgeving. Voor de verschuldigdheid van btw betekent dit dat pas van een betaling op een als oninbaar aangemerkte vordering kan worden gesproken als en voor zover een bedrag wordt betaald dat groter is dan de in rekening gebrachte incassokosten en rente, en er dus sprake is van een ontvangen bedrag dat een vergoeding vormt voor de geleverde prestatie.”
Derhalve mag naar mijn mening gevoeglijk worden aangenomen dat art. 6:43 en 6:44 BW onverkort van toepassing zijn op het begrip (niet-)betaling in de btw.8