Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.5.10
7.6.5.10 De bedrijfsmatige gebruiker laat een kenbaar gebrek voortbestaan
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS300404:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Aanvankelijk werd in een deelgeschilprocedure alleen de gemeente aangesproken. De rechtbank meende evenwel dat niet zij maar de exploitant ingevolge art. 6:181 de ex art. 6:174 aan te spreken persoon was. Ook de claim ex art. 6:162 jegens de gemeente wees de deelgeschilrechter af, omdat niet de gemeente maar de exploitant werd geacht de wijze van exploiteren van de sporthal te bepalen. In de daarop volgende bodemzaak werd ook de exploitant gedagvaard. Daarin werden de afwijzende beslissingen omtrent de aansprakelijkheid van de gemeente gehandhaafd. De vorderingen ex art. 6:162 en art. 6:181 jo. 174 jegens de exploitant werden eveneens afgewezen bij gebreke van schending van een zorgplicht en gebrekkigheid van de opstal. In hoger beroep liet het hof vooralsnog in het midden wie op welke grondslag eventueel aansprakelijk kan zijn; het wenste eerst te worden voorgelicht door een deskundige.
Blijft degene die de opstal aan een ander ter beschikking stelt over de exploitatie daarvan een zekere of zelfs overheersende zeggenschap behouden, dan acht ik een cumulatieve aansprakelijkheid van beiden of zelfs een exclusieve aansprakelijkheid van eerstgenoemde ex art. 6:181 jo. 174 niet uitgesloten.
Heeft de gemeente daarentegen een ‘lege’ (sport)hal ter beschikking gesteld aan de exploitant, waarna deze vervolgens zelf de inrichting (belijning, plaatsing doelen, bekleding achterwanden) van de accommodatie bepaalt, dan heeft laatstgenoemde het gebrek ‘veroorzaakt’ en is de exploitant om die reden de ‘verantwoordelijke’ ex art. 6:181 jo. 174. Zie par. 7.6.5.6.
Vgl. hier ook het zojuist (par. 7.6.5.7) al genoemde Hof Den Bosch 2 juli 2013, JA 2013/159 (Bierfusten). Zou het gehuurde pand al geruime tijd een horecabestemming hebben gehad, dan heeft de huurder die deze bestemming voortzette het gebrek – een trap zonder transportbaan voor bierfusten – niet ‘veroorzaakt’, maar staat de omstandigheid dat de opstal in de gegeven omstandigheden niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet wel in verband met diens (specifieke) bedrijfsvoering, te weten de exploitatie van de opstal als cafébedrijf.
Dit laat de mogelijkheid van een vordering ex art. 6:162 tegen de eigenaar onverlet. Wellicht dat het verweer van de eventueel op kwalitatieve grondslag aangesproken bedrijfsmatige gebruiker van de opstal daartoe bepaalde aanknopingspunten biedt.
Parl. gesch. Boek 6, p. 755. Zie voorts Parl. gesch. Boek 6, p. 756. Zie ook de conclusie van A-G Hartlief voor HR 7 oktober 2016, NJ 2017/73, m.nt. Spier (Stroomkabels), sub 4.5.
In dit perspectief past ook Hof 22 augustus 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2331 (Tribunetrap), over een tribunetrap in een sporthal die gebrekkig werd geacht vanwege een ‘afwijkende’ trede in het looppad. Dit betrof een voor de exploitant kenbare feitelijke constellatie waarop door hem niet was ingegrepen om valpartijen te voorkomen.
Vermeldenswaard is nog de op grond van art. 5:101 lid 2 bestaande mogelijkheid een zogeheten afhankelijk opstalrecht te vestigen. Zo kan een opstalrecht afhankelijk van huur worden gemaakt, waarmee de huurder (ook) eigenaar van de gehuurde opstal wordt. Zie Visser en Vonck 2013, p. 81-85; Booms 2015, p. 757-764. Wanneer zodoende het bezit en bedrijfsmatige gebruik van een opstal zich in dezelfde hand bevinden, hoeft ter toepassing van art. 6:181 jo. 174 niet (meer) gekozen te worden tussen de bezitter óf bedrijfsmatige gebruiker. Wanneer het bezit en bedrijfsmatige gebruik samenvallen, kan de precieze hoedanigheid waaraan de aansprakelijkheid vastknoopt echter wel nog van belang zijn voor de (dogmatische) grondslag van de aansprakelijkheid, zie par. 4.6.3.
Andere gevallen waarin het gebrek niet door de bedrijfsmatige gebruiker is ‘veroorzaakt’ maar het gebrek voor de toepassing van art. 6:181 wel in (voldoende) verband staat met diens bedrijfsuitoefening, worden mijn inziens gevormd door situaties van kenbaar aan een opstal verbonden gebreken/gevaren. Een voorbeeld biedt Hof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3429 (Zaalvoetbal). In deze zaak stelde de gemeente Tiel haar sporthal op grond van een beheers- en exploitatieovereenkomst ter beschikking aan Sportfondsen Tiel BV. Tijdens een zaalvoetbalwedstrijd liep vervolgens een deelnemer letsel op door hard in aanraking te komen met de achterwand van de sporthal achter het doel. Volgens de benadeelde was de opstal gebrekkig omdat de obstakelvrije uitloopruimte te beperkt was. In zijn ogen had met het oog op een voldoende uitloopruimte geen zaalvoetbalveld van 40x20 meter maar van 38x8 meter aangelegd moeten worden, dan wel hadden de steenmuren bekleed moeten worden. De gemeente had de sportschool laten bouwen en op enig moment ter exploitatie verhuurd aan Sportfondsen Tiel BV. De ex art. 6:174 aangesproken gemeente verweerde zich met de stelling dat de opstal ten tijde van het ongeval bedrijfsmatig werd gebruikt door Sportfondsen Tiel BV, zodat ingevolge art. 6:181 deze laatste is belast met de aansprakelijkheid van art. 6:174.1 Op wie moeten, uitgaande van gebrekkigheid, de pijlen op kwalitatieve grondslag nu worden gericht?
Er is sprake van een voor (de eigenaar en) de bedrijfsmatige gebruiker kenbare feitelijke constellatie. Het gaat niet om een verborgen gebrek in de opstal dat zich gedurende het bedrijfsmatige gebruik onverwachts openbaart, evenmin is sprake van een gebrek in de opstal dat de exploitant zelf ‘veroorzaakt heeft’ (in fysieke zin of door een andere bestemming aan de opstal te geven). De exploitant laat de staat waarin de opstal ter beschikking is gesteld door de eigenaar/verhuurder (inclusief eventueel gebrek) in tact, terwijl zijn gebruik van de opstal overeenstemt met het doel waarvoor deze (altijd) bestemd is (geweest) of welke zelfs is voorgeschreven.2 Vindt een ongeval plaats in de sporthal omdat de sportinrichting ondeugdelijk bleek, dan heeft de exploitant het gebrek in de opstal niet zozeer ‘veroorzaakt’ maar veeleer een gebrekkige/gevaarlijke situatie in stand gehouden c.q. laat voortbestaan.3 Ook in een dergelijk geval staat de gebrekkigheid van de opstal naar mijn mening in (voldoende) verband met zijn bedrijfsuitoefening.4 Het gebrek in de opstal (en de verwezenlijking van het daardoor gecreëerde gevaar bij het sporten) hangt immers samen met het specifieke gebruik dat daarvan door de exploitant wordt gemaakt (het faciliteren van sportbeoefening). Laat de exploitant na eventuele gebreken/gevaren weg te nemen die aan een veilige sportbeoefening in de weg staan, dan voldoet in geval van een ongeval de opstal niet aan de voor het gebruik daarvan te stellen eisen. Of in termen van het arrest Schavemaker/Planet c.s.: ‘de verwezenlijking van het gevaar verbonden aan de gebrekkigheid van de opstal’ staat in (voldoende) verband met de bedrijfsuitoefening. Een aansprakelijkheid van de exploitant in dit geval past bij de gedachte dat de ‘professional’ die ervoor kiest een opstal als sporthal te exploiteren, in de eerste plaats ook verantwoordelijk is voor een veilige exploitatie. Wanneer de exploitant ten onrechte niet ingrijpt en daarmee sporters blootstelt aan gevaren die redelijkerwijs niet verantwoord zijn, heeft hij als de meest aangewezen aansprakelijke persoon te gelden, óók op het terrein van art. 6:174 (jo. 181).5 De aansprakelijkheid uit dit artikel berust als eerder gezegd in wezen immers op de gedachte dat het onrechtmatig zou zijn jegens degene die gevaar loopt om de bestaande toestand onveranderd te laten.6
In dit perspectief past Hof Amsterdam 5 april 2001, VR 2002/93 (Drakenburgh/ De Hoog), waarin een bezoekster van een conferentiecentrum tegen een glaze schuifpui aanliep waarop geen merkteken of waarschuwing was aangebracht. De eigenaar van het conferentiecentrum had deze opstal voor bedrijfsmatig gebruik verhuurd aan een ander ter exploitatie. De door de benadeelde op grond van art. 6:181 jo. 174 aangesproken exploitant verweerde zich volgens zowel de rechtbank als het hof tevergeefs door te verwijzen naar de verhuurder/eigenaar. Het hof overwoog dat art. 6:181 beoogt uitsluitend het risico van een gebrek aan een opstal voor rekening van de eigenaar te doen komen ‘indien dit gebrek geen verband houdt met het gebruik hiervan’. Een dergelijke situatie deed zich in dit geval niet voor, aldus het hof. Het hof achtte de opstal namelijk ‘gebrekkig’ omdat een schuifpui van doorzichtig glas zonder waarschuwingstekens in een conferentieoord gevaarlijk is en dat het op de weg van de exploitant had gelegen daarvoor adequate ‘tegenmaatregelen’ te treffen. Nu zij dit niet had gedaan, voldeed de opstal volgens het hof niet ‘aan de voor het gebruik daarvan te stellen eisen’.7
Hoewel bij de zojuist beschreven gevallen van het laten voortbestaan van een gebrek ‘het bestaan’ van het gebrek beter past dan ‘het ontstaan’ van het gebrek, was het ook daarvoor niet nodig ‘het ontstaan’ van het gebrek uit het arrest DB/Edco uit te breiden met ‘het bestaan’ daarvan. Een normatieve uitleg van ‘het ontstaan van het gebrek’ brengt hier mee dat wanneer in de loop der tijd sprake is van opvolgend bedrijfsmatige gebruikers en steeds ontstaan nieuwe ongevallen door dezelfde gebrekkige inrichting, het(zelfde) schadeveroorzakende gebrek telkens na iedere wisseling van de wacht in de exploitatie kan worden geacht opnieuw te zijn ontstaan. Hoewel de feitelijke ‘oorsprong’ van het gebrek in een ver verleden kan liggen, kan iedere benadeelde op voet van art. 6:181 jo. 174 zodoende terecht bij de feitelijke exploitant op het moment van zijn ‘eigen’ ongeval – degene die ten tijde van het ongeval ‘verantwoordelijk’ was voor een veilige exploitatie.
Afrondend breng ik in herinnering dat voor het resultaat van telkens de ‘meest verantwoordelijke’ als de ook voor de door de opstal aangerichte schade kwalitatief aansprakelijke, de tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 niet nodig is: de door mij voorgestane invulling van het ‘gebruiksbegrip’ van art. 6:181 lid 1 (aan de hand van ‘zeggenschap’) biedt daarvoor reeds de benodigde ruimte.8 Dat de tenzij-clausule van art. 6:181 lid 1 zodoende zelfstandige betekenis ontbeert, brengt mij tegelijkertijd bij het volgende: de vraag naar de zelfstandige betekenis van de leden 2 en 3 van art. 6:181.